Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 382!)1 —
wolken, die laag bij den grond schijnen le hangen. Heeft
men een vrij uitzigt, dan ziel men er meestal ook in ver-
schillende rigtingen drijven; breekt het onweder los, dan
gaat het van korte rukwinden gepaard en uit de onweers-
wolk stroomt regen, soms ook van hagel vergezeld, naar
beneden; vandaar, dat men van onweêrshidjen spreekt.
Nadat het opgehouden heefl, is de lucht aanmerkelijk af-
gekoeld, en de wind, die le voren uit het zuiden of zuid-
westen woei, is nu noordwestelijk of noordelijk geworden.
Uit deze opgave van omstandigheden, die het onweder meer
of min eigen zijn, blijkt, dat een zuidelijke luchtstroom
gedurende hetzelve door een' noordelijken verdrongen
wordt. Somtijds heeft dat verdringen geen plaats; de wind
heeft dezelfde rigting behouden, en 't is even warm geble-
ven als het te voren was. Is dit echter het geval, zoo komt
er meeslal denzelfden of den volgenden dag op nieuws onwe-
der, en dit herhaalt zich dan totdat het eindelijk koeler, en
de wind noordelijker geworden is.
Zeer gewoon is het zoogenoemde inslaan van den blik-
sem, of, gelijk men ook wel zegt, van het onweder. De
eerste uitdrukking is juister; want dat inslaan is enkel een
gevolg van den bliksemstraal, en waar die niet gezien wordt,
verneemt men ook van geen inslaan. Wij mogen hier niet
nalaten op de ongegrondheid van een vrij algemeen heer-
schend volksgeloof opmerkzaam te maken , dat namelijk de
bliksem voorzien zou zijn van een wigvormig sieenen uit-
einde, een' zoogenoemden donderbeitel, waarmede hij zijne
geweldige werking zou doen. De voorwerpen , welke dien
naam dragen, waaromtrent veel raadselachtigs bestaat,
en welke bijkans overal gevonden worden, zijn geen lou-
tere natuurvoortbrengsels, maar hebben blijkbaar eene
fatsoenering ondergaan door menschenhanden, om ruwe
volkeren tot werk- of wapentuig te dienen. Zij staan in
geen betrekking hoegenaamd met de vernieling door eenig
onweder aangerigt. 't Is waar, men heeft soms in den grond,
onder de plaats, waar de bliksem mogt inslaan, wortelvor-
mige holle ligchamen gevonden, die misschien aanleiding
lot de dwaling gegeven hebben. Doch deze zijn wèl van
de bovengemelde te onderscheiden; zij maken echter even-