Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3GÜ -
oorzaakt doordien de koude oostewind spoedig in een' war-
men weste- of zuidwestewind verandert. De lucht, die dan
aangevoerd wordt, is veel warmer dan de grond, waarover
zij heenstrijkt, en koek dus af, de daarin bevatte damp
slaat neder en bevriest. Maar hier is de geheele grond
door de voorafgegane vorst gelijkelijk afgekoeld, het be-
vriezende vocht zet zich dus overal gelijkelijk aan, en er
vormt zich eene doorgaande dunne laag of korst van ijs.
Gebeurt dit op een' harden grond, bijv. op de straten
van eene stad of dorp, dan wordt die door dat ijslaagje
dikwerf zoo glad, dat het hoogst moeijelijk is er over te
gaan zonder uit te glijden ■, men noemt deze ijsvorming
ijzel.
Gaat de dooi door, met andere woorden, is er aanhou-
dende toestrooming van warme lucht, dan wordt ook de
grond weldra genoegzaam verwarmd, om het neergeslagen
vocht niet meer te doen bevriezen. Vandaar, dat men den
ijzel maar gedurende korten lijd waarneemt, meestal niet
langer dan eenige uren, en dal hij zich nooit, gelijk dauw
en rijp, vele dagen achtereen herhaalt.
vni.
Over Onweder.
Het onweder behoort, even als de hagel, tol de meer zeld-
zame verschijnselen in den dampkring. Ais wij van onwe-
der spreken, verstaan wij daaronder eene lichtflikkering, die
zich plotseling aan eene meer of min bewolkte lucht ver-
toont, die voorts zeer kort van duur is, maar die zich
gewoonlijk, na kleiner of grooter lusschenpoozen, eenige
malen herhaalt, meestal achtervolgd van een zwaar geluid,
dat uit de lucht komt, en nu eens zeer kort afgebroken
is, dan weder langer aanhoudt, maar nooit langer dan
eenige weinige oogenblikken, en dat somtijds naar het ge-
luid van een' harden slag of wel naar dat van een rollend
ligchaam gelijkt. Dat geluid herhaalt zich even als het licht,
en gaal de lichtflikkering nooit vooraf: of hel volgt er on-
middellijk op, öf eerst na verloop van eenige seconden,
en doorgaans is het des te zwakker, naar male er meer tijd