Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
EERSTE AFDEELING.
MEEST ALGKMEENE EIGENSCHAPPEN EN VERSCHIJNSELEN DTE AAN
DE LIGCHAMEN WORDEN WAARGENOMEN.
I.
Uitgebrcitllieicl.
Stofy dit weten "wij reeds, is datgene wat aan ons gevoel
zich openLaarl, door den tegenstand dien Let Liedt, door de
helemmering die wij ondervinden, om de Lepaalde ruimte
in le dringen die het beslaat. In het denkbeeld van stof
en stoffelijk voorwerp liggen dus noodzakelijk twee ei-
genschappen: die van eene zekere ruimte in le nemen, en
die van andere slof te beletten, in diezelfde ruimte te
dringen. Aan de eerste eigenschap geeft men den naam
V5in uitgebreidheid, aan de tweede die van ondoordring-
baarheid.
Elk ligchaam beslaat eene plaats, het heeft eene zekere
grootte. Elk ligchaam is dus uit slofdeelen zamengesteld.
Moe groot de ingenomen ruimte zij, doel er niets toe; ook
de kleinste ligchamen beslaan eene bepaalde ruimte-, ook de
zandkorrel, de deeltjes van een fijn poeder, de ligchaampjes
die in den zonnestraal zweven, hebben uitgebreidheid. Die
ruimte kan zóó klein zijn, dat wij de ligchamen met het
bloote oog niet meer vermogen te erkennen-, maar dan
behoeven Avij ze-slechts door een vergrootglas te zien, om
gewaar te worden, dat zij evenzeer lengte, breedte en hoogte
of dikte hebben als de grootere ligchamen.
Wanneer iwee ligchamen evenveel ruimte innemen, zeg-