Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 359 —
raking is, wordt dan ook afgekoeld, en vandaar het neer-
slaan van den daarin bevatten onzigtbaren damp, en liet
aanslaan van dien damp op de koude vaste ligchamen.
Deze ecliter zijn niet alle even sterk afgekoeld: eene gla-
zen plaat wordt kouder dan eene metalen-, op de eerste
vindt men daarom ook 's morgens meer vocht afgezet dan
op de laatste. Ook koelen die ligchamen, die het grootste
oppervlak hebben, het spoedigst en het meest af-, de plan-
ten dus meer dan een onbegroeide grond. De dauwvor-
ming is daar, onder voor 't overige gelijke omstandig-
heden, het menigvuldigst, waar bij dag het meest verdam-
ping plaats heeft-, dus overvloediger boven lage vochtige
weilanden, doorsneden door vele slooten, dan boven bouw-
land, en nog overvloediger dan boven hoogen en droogen
heidegrond.
Worden de vaste ligchamen zóó sterk afgekoeld, dat de
damp, die er op neerslaat, oogenblikkelijk in ijs overgaat,
dan noemt men dien neerslag niet dauw, maar rijp. Rijp
is dus niet anders dan bevroren dauw; zulk eene sterke
afkoeling intusschen, als tot de bevriezing van den damp
noodig is, heeft enkel in het voor- en najaar plaats; in
den zomer neemt men alleen dauw waar. Beschouwt men
de berijpte ligchamen van nabij, dan ziet men, dat hel
gevormde ijs niet als eene laag over het geheele oppervlak
der ligchamen uitgebreid is, maar dat het uit eene menigte
afgezonderde kleine ijsnaaldjes bestaat, die in gelijke rig-
tingen en naast elkander op de uitstekende deelen der lig-
chamen, bijv. op de randen en nerven der bladeren, op
de scherpe kanten van ijzeren leuningen, niel liggen, maar
slaan. Aan de ongelijke hoeveelheid, waarin vooral de rijp
zich op verschillende ligchamen aanzet, blijkt bij uitne-
mendheid het verschil in afkoeling dier onderscheiden lig-
chamen. In 't najaar ziet men het eerst rijp op de mat-
ten, die de hoveniers gebruiken; een' weinig later op hou-
ten bruggen, en dat wel, terwijl een thermometer in de
vrije lucht nog eenige graden boven nul staat.
Een andere ne(,';rslag eindelijk van vocht uil de lucht,
is die, welken men somtijds op den grond waarneemt, als
na aanhoudende vorst plotseling dooiweder invalt, ver-