Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 358 —
Ja, om zich daarvan zelf le overtuigen, behoeft men
juist niet met een' luchtballon op te gaan; bij bet beklim-
men van hooge bergen voelt men het hoe langer hoe kou-
der worden, en altijd komt men, op eene zekere hoogte, ook
midden in den zomer, in eene streek,'waar sneeuw en ijs
gevonden wordt-, in de Zwilsersche Alpen vindt men de
eeuwige sneeuw reeds op 1300 ellen hoogte. Op grond
hiervan is het dus in 't geheel geene gewaagde onderstel-
ling, dat er bij 'l vallen van hagel, hoog boven ons
hoofd, eene luchtlaag is, zoo koud, dat daarin de water-
damp tot ijs bevriest. Er zijn intusschen omtrent het ont-
staan van hagel vele vragen te doen, waarop wij geen
antwoord weten te geven, en geen wonder, daar wij niet
in de mogelijkheid zijn, om het ontstaan van hagel van
nabij, en dus naauwkeurig, waar te nemen. Meer bekend
is ons de aard dier verschijnselen, welke wij dauw en rijp
noemen; deze toch ontstaan zeer digt bij den grond en als
onder ons oog.
Dauw is een witte damp, die dikwerf 's avonds en
's morgens, zwevende boven den grond, waargenomen
wordt. Meestal is hij maar een of een paar ellen hoog,
want somtijds ziet men de ruggen of de koppen der koeijen
er boven uitsteken, terwijl schapen, geiten en andere kleine
dieren er geheel in bedolven zijn. De dauw is niet anders
dan gewone waterdamp, zoo als blijkt uit de droppels,
welke men 's morgens op de bladeren der planten vindt,
en die zuivere waterdroppels zijn. Hij komt enkel in de
warme maanden van het jaar voor, en alleen bij eene blaauwe
lucht, als er geen wind is.
Ook hier gaat onzigtbare damp die in de lucht is, door
afkoeling in den zigtbaren toestand over. Bij helderen
zonneschijn worden de grond en de lucht daarboven bij
dag sterk verwarmd en er heeft veel verdamping plaats;
de lucht bevat dus veel onzigtbaren damp. Blijft nu het
uitspansel onbewolkt, dan volgt daarop, na zonsonder-
gang, eene sterke afkoeling van den grond, of van de plan-
ten die den grond bedekken, zoodat de grond aanmer-
kelijk kouder wordt dan de lucht op eene geringe hoogte
er boven. Maar de luchtlaag, die met dien grond in aan-