Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 376 —
als de winter streng is. Dit vindt zijne verklaring in
de reeds gemaakte opmerking, dat er des te meer verdam-
ping plaats heeft, naar mate het warmer is-, want daaruit
volgt, dat eene warme lucht over 't algemeen meer damp
bevat, dan eene koude, en dat er dus in lucht des te
minder damp aanwezig zijn zal, naar mate die lucht kou-
der is.
Als men sneeuw onder 't vallen opvangt op een lig-
chaam, dat koud genoeg is om de sneeuw niet te doen
smelten, en liefst donkerkleurig, zoodat de witte sneeuw
er het best op uitkomt, op een lapje zwart laken bijv.,
en die sneeuw naauwkeurig beziet, dan merkt men , dat
zij zich onder verschillende gedaanten vertoont. Reeds
bij 't neervallen onderscheidt men groote en kleine vlok-
ken-, de eerste soms 2 duim, de kleinste maar 1 streep
groot. Van nabij bekeken, blijkt elke sneeuwvlok gewoon-
lijk eene opeenhooping te zijn van een aantal ijsligchaampjes,
die zeer los onderling verbonden, en in allerlei willekeu-
rige standen ten opzigte van elkander geplaatst zijn; som-
tijds daarentegen bestaat elke vlok alleen uit een enkel
ijsligchaampje: maar vooral merkwaardig is het, dat in
beide gevallen elk dier ijsligchaampjes eene regelmatige ge-
daante heeft-, het is wat wij vroeger (bl. 22 en 149) een
kristal genoemd hebben. Die ijskristalletjes zelve verschillen
onderling zeer in vorm. De meestzamengestelde figuren ziet
men dan, als er niet veel sneeuw valt, en als elke vlok uit
niet meer dan ee'n kristalletje bestaat. Maar alle mogelijke
vormen, waaronder ze zich vertoonen, hetzij van regelmatige
zeshoekige plaatjes (Fig. 111), of van sterren, wier stralen,
Fig. 111. Fig. 112. zes in aantal, met fijne baard-
jes bezet zijn (Fig. 112), of
van nog andere figuren, alle
hebben ze dit met elkander
gemeen, dat de daarin voor-
komende lijnen enkel hoeken
van 00° en 120° met elkander
maken, dat is, dat hare helling juist zoo groot is als van
de lijnen, die in een' cirkel (Fig. 113), welks omtrek men
in zes gelijke bogen verdeeld heeft, de overstaande deel-