Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 355 —
dere verschijnselen, die er ten naauwste meê verbonden
zijn, de uitdamping van land en zee, en het ontstaan en
stroomen der rivieren. De dampen in de lucht zijn ont-
staan uit water, en wederkeerig geven de wolken den damp
in den regen weder als water terug-, dit water vormt ri-
vieren , en door deze stroomt het naar beneden, dat is,
altijd weder naar den oceaan terug, en dus juist daarheen,
van waar het oorspronkelijk voor het grooter deel ontstaan
is; zoodat beide verschijnselen op die wijze elkander beur-
telings kunnen blijven opvolgen, welke geregelde afwisse-
ling wederom de instandhouding van het bestaande verzekert.
vir.
Siieeuwj Hagel j Dauw; Rijp; IJzel.
De damp, die in de lucht in onzigtbaren toestand aan-
wezig is, treedt niet alleen als wolken en regen te voorschijn,
maar vertoont zich ook somtijds onder andere gedaanten ,
te weten : als sneeuw, hagel, dauw, rijp en ijzel: de beide
eerstgenoemde komen even als de regen uit de wolken ,
en dus van boven naar beneden; de laatste daarentegen
ontstaan zeer digt bij den grond, en onderscheiden zich in
dit opzigt van regen, sneeuw en hagel.
Sneeuw en hagel komen daarin met elkander overeen,
dat beiden bevroren water zijn, zoo als blijkt als wij ze op-
vangen en doen smelten; want beiden geven dan bijna ge-
heel zuiver waler. De hoofdoorzaak van beider ontstaan
is dezelfde als die van den regen, le weten: afkoeling van
dampbevattende lucht, en wel eene afkoeling, die zoo sterk
is, dat de damp niet als water nedervalt, maar als ijsdeel^
tjes. Zulk eene sterke afkoeling kan dan alleen plaats heb-
ben, als de grond of de luchtstroom, die ze veroorzaakt,
zelf een' warmtegraad heeft beneden het nulpunt van den
honderddeeligen thermometer. In de lagere deelen van den
dampkring is dit alleen in de wintermaanden , en somtijds
des nachts in 't voorjaar het geval; men ziet het dan ook
op geen andere tijden sneeuwen.
Intusschen is het niet bij zeer felle koude, dat de meeste
sneeuw valt, maar bij het begin en einde van de vorst,
23 *