Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 17 —
(luwen, en hun dus iels van zijne beweging afgeven —
en ziedaar de reden waarom hij verlraagi in zijne opschie-
lende vaart, een' boog beschrijft en eindelijk op den
grond nederkoml.
Bestond bij den voortrijdenden wagen dezelfde tegen-
stand der lucht niet, en ware er geen wrijving, zoo van
de naven der wielen tegen de assen, als van hunne velgen
en banden tegen den weg die bereden wordt, de wagen
zou slechts eenmaal in gang behoeven te worden gebragt,
en zonder ons verder toedoen blijven voortloopen. De
paarden die men er voor spant moeten, even als de stoom-
trekker voor den trein, aanvankelijk kracht aanwenden om
de voertuigen zelve in beweging te zetten, maar daar-
na hebben zij alleen tegenstand der lucht en wrijving te
overwinnen. Vandaar, dat het zooveel gemakkelijker
gaat, als de weg effen en hard, dan als hij hobbelig en
zandig is. De stoomtrekker zou zoo groot een' trein niet
kunnen medevoeren als wij dikwijls zien, ware niet de
weg eene ijzeren spoorbaan, en dus de wrijving gering.
Werpt men een steentje in het water, dan valt het in
't oog, hoe de bewegende deelen, terwijl zij zelve allengs
tot rust komen, hunne bewegingen aan belendende water-
deelen overdoen, gelijk blijkt uit de zich al uitbreidende
rimpels op het water. De bewegingen van elk deel wor-
den daarbij des te kleiner, naar mate het aantal deelen die
de beweging overnemen, grooter is.
Elke beweging van eenig ligchaam, die afneemt en ver-
dwijnt , wordt in het ligchaam zelf opgeheven door nieuwe
krachten die er op werken-, in 't algemeen verdeelt en
breidt zij zich uit over omringende ligchamen. Allerge-
wigtigst is die opmerking, en men kan zich van de waar-
heid daarvan niet genoeg overtuigen.
Kederkfldssh 8c!icolmt!S€Tim
PriiiütiigracM 151 bij äe Ffiaseastmt