Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 34f) -
den evenaar liggende, in den zomer minder verhit dan
liet noordelijker gelegen vasteland van Azië; in dat jaar-
getijde stroomt dus daar de lucht niet naar den evenaar
toe, maar van denzei ven af naar Azië; in den winter daar-
entegen koelt ook het land veel meer af dan het water, eii
is dus de lucht hoven de Indiscke Zee de meest verwarmde^
hovendien worden dan het vasteland yTin Australië en vnn
zuidelijk y^r/^a sterk verhit, en heide deze oorzaken tegelijk
doen derhalve de lucht van het koudere Azië naar war-
mer zuidelijke streken toevloeijen.
Nog blijkt het gestelde uit eene andere soort van win-
den, die, vooral in de warme luchtstreken, in de nabijheid
van kusten worden waargenomen. Daar is namelijk over-
dag een wind die van de zee naar het land waait, gedu-
rende den nacht een wind, die van het land naar de zee
waait, en deze zee- en landwinden wisselen elkander ge-
regeld in elk etmaal af. Op de reede van Batavia bijv.
heeft men doorgaans des morgens vóór 10 ure windstilte;
dan begint de zeewind, die zich eerst op het land doet ge-
voelen en daarna ook op zee begint te waaijen; des middags
ten 2 ä 3 ure waait hij het hardst, hij verslapt dan weder en
wordt tegen zonsondergang, dus omstreeks O ure des na-
middags, vervangen door den landwind. Het ontstaan van
die winden is eveneens als dat der moussons te verklaren:
des daags wordt het land veel warmer dan de zee-, de hicht
boven het land zet zich dus meer uit, rijst omhoog, en van
onderen neemt minder warme lucht, dat is die, welke op
de zee rust, hare plaats in; maar omgekeerd koelt des nachts
het land, en dus ook de daarop rustende lucht het meest
af, die boven de zee is het warmst, en vandaar de toe-
strooming van het land naar de zee.
In Europa zijn de bewegingen in den dampkring niet
aan vaste rigtingen verbonden, zoo als in de landen lus-
schen de keerkringen. Wij nemen winden van allerlei rig-
tmgen waar in allerlei tijden van het jaar en op alle uren
van den dag-, het is ons ook niet mogelijk aan le wijzen,
door welke oorzaken elke dier winden wordt te weeg ge-
bragt', dat warmte intusschen ook daar de hoofdoorzaak is,
is zeer waarschijnlijk, maar het is ons niet wel doenlijk