Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 347 —
zeker niet gaat, aangezien daartoe de afstand waarop deze
van ons zijn, en dus hare hoogte, geschat moet worden, met
zorgvuldige inachtneming tevens van de rigting des winds.
De noodzakelijkheid daarvan zal men terstond inzien, als
men zich maar eens voorstelt dat men de snelheid van een'
ruiter wilde beoordeelen op eene uitgestrekte onbekende
heide. Immers op hoe verderen afstand hij zich van ons
bevindt, en hoe meer hij op ons aankomt of van ons af-
gaat, met des te minder spoed zal hij zich schijnbaar
bewegen.
Met den wind staat verandering in luchtdrukking in naauw
verband. Luchtstroomen toch kunnen niet ontstaan, dan
doordien hier of elders eene luchtverdunning plaats vindt,
waardoor het evenwigt verbroken wordt, 't welk vervolgens
door nieuwen toevoer hersteld wordt, niet zelden met zulk
eene drift, dat er nu zamenpersing en verdigting van lucht
op volgt. Zoo neemt men dan ook gewoonlijk als voor-
bode van een' storm een' lagen barometerstand waar, die,
nadat de storm is uitgebroken, weer hooger wordt.
Daar voor 't overige de lucht in gestadige beweging is,
zal ook de kwikkolom nooit geheel in rust zijn, en daar-
enboven eene meer of min regelmatige rijzing en daling
vertoonen, die afhankelijk is van de beurtelingsche ver-
warming en bekoeling der verschillende plaatsen op aarde.
Want dat in temperatuursverandering de voorname oorzaak
der winden gezocht moet worden, vermoeden wij reeds uit
hetgeen op bl. 102, v.v., gezegd is. Wij willen thans die
oorzaak van wat naderbij opsporen, en ons in de eerste
plaats met zulke luchtstroomingen bezig houden, die we-
gens de groote standvastigheid die ze kenmerkt, daartoe de
meeste aanleiding geven; wij bedoelen de zoogenaamde
passaatwinden en moussons.
't Is bekend, dat aan den evenaar der aarde zoowel de
vaste grond als de zee en de lucht veel warmer zijn
dan op een' afstand benoorden of bezuiden, en dat die
warmte van den evenaar af naar beide polen allengs af-
neemt. De lucht boven de linie wordt daardoor gedu-
rig uitgezet en rijst omhoog, en als nu de koudere lucht
gestadig naar den evenaar toestroomt, om de ruimte, die