Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 32G —
onophoudelijk bewegingen plaats grijpen. Wij duiden die
met éen woord aan, door te zeggen: „het weder verandert,"
eene zeer onbepaalde uitdrukking, daar ze ons in de onze-
kerheid laat omtrent den aard der zeer verschillende ver-
schijnselen, die daarmede bedoeld worden, als daar zijn:
wind, temperatuursverandering, helderheid of betrokken-
heid der lucht, regen of droogte, en meer. Wij willen de
voornaamste daarvan opzettelijk en in verband met elkan-
der overwegen.
Het verschijnsel waarover wij het eerst spreken zullen,
is de wind. Wind beteekent niet anders dan luchtstroo-
ming: „er is veel wind," of: „het waait hard," wil eenvou-
dig zeggen, dat de lucht in snelle beweging is. Nergens
is de lucht ooit een oogenblik in volkomen rust, en 't mag
eene zeldzaamheid heeten, als ook de ligtst beweegbare
voorwerpen, de bladeren van den populierboom bijv., zich
weinig of niet verplaatsen. Zoowel het gevoel van ons
eigen ligchaam, als rook, wolken of andere ligte voorwerpen,
kunnen ons van het bestaan van wind getuigenis geven-,
terwijl ze ons tevens zijne rigting aanwijzen, die, gelijk be-
kend is, benoemd wordt naar die streek van den gezigt-
einder, van waar de luchtstroom komt. Een wind kan soms
enkel in de boven- of enkel in, de benedenlagen van den
dampkring waaijen; niet zelden ook heerschen er vlak bo-
ven elkander verschillende winden in tegenstrijdige rigtin-
gen. Behalve de rigting komt nog de snelheid van een'
wind in aanmerking. De spoed, waarmede de lucht ver-
plaatst wordt, laat zich niet onmiddellijk meten, daar men
de luchtdeeltjes niet zien kan. Zwevende ligchaampjes, die
gemakkelijk in beweging gezet worden en weinig wrijving
geven, bij gevolg ondersteld kunnen worden zich genoeg-
zaam even snel als de lucht die ze medevoert, te verplaat-
sen, worden in stede daarvan waargenomen. Op eene plaats
waar men zich met de omringende hoofdpunten, als ge-,
bouwen, schoorsteenen, torens, boomen, wat derzelver af-
standen betreft, naauwkeurig bekend gemaakt heeft, is rook
bij uitnemendheid geschikt om de snelheid van .den wind
te meten. Bij hoogere winden kan men zich ook van de
wolken te dien einde bedienen, ofschoon dat lang zoo