Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 344 —
de voorwerpen mede donkerblaauw, omdat liier het hcht
van wege de groote ultgeslrektheid lucht, die het moet
doorgaan, zeer in sterkte afneemt.
Dat de lucht die onzen aardbol omgeeft, evenmin daar-
van af kan vallen als het water op zijne oppervlakte, is
ons begrijpelijk geworden; maar wij hebben gezien, dat de
lucht een zeer veerkrachtig ligchaam is, dat (zie bl. 110),
zoodra het daartoe maar gelegenheid vindt,-zich over eene
grootere ruimte tracht uit te breiden. Hoe is dit overeen
te brengen met een luchthulsel, dat van de aarde, die het
als eene kern omvat, niet afvliegt?
Om dit voldingend te verklaren, zouden wij met al de
bijzonderheden van de gesteldheid der luchtlagen op on-
derscheidene hoogten boven den waterspiegel der zee bekend
moeten zijn, waartoe een genoegzaam aantal waarnemingen
ten eenemale ontbreekt. Op gronden van waarschijnlijkheid
evenwel, kunnen wij ons daarvan, met behulp van het wei-
nige dat de ervaring ons heeft doen kennen, toch eene
voorstelling maken. Dat, naar mate wij ons hooger bege-
ven de dampkring eene mindere drukking uitoefent, leert
ons (zie bl. 122, v.v.) de stand des barometers, als wij
dien in verschillende lagen waarnemen. Indien wij het
klein aandeel dat de, in de lagere gewesten althans, voor-
handen waterdamp, waarvan de spanning door middel van
afzonderlijke toestellen bepaald en in rekening gebragt kan
worden, aftrekken, is de overblijvende drukking niet an-
ders dan het gewigt der geheele kolom lucht boven de laag
waarin wij zijn. Door hare digtheid op onderscheidene
hoogten, naar de wijze op bl. 125, v.v. ontvouwen, te on-
derzoeken en te vergelijken met het gewigt dat zij aldaar
van de bovenliggende lagen ondervindt, heeft men bevon-
den dat hetgeen de proef op bl. 124 van besloten lucht
geleerd heeft, ook van toepassing is op vrije lucht; dat na-
melijk hare digtheid bij eene zelfde temperatuur evenredig
is aan het gewigt der luchtmassa die er boven staat. Als
die wet voor alle hoogten bleef doorgaan, dan zou daaruit
volgen, 't welk hier niet wel voor nadere verklaring vat-
baar is, dat de dampkring eene oneindige uitgestrektheid
moest hebben, en dus eigenlijk geen bepaald hulsel kon