Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 343 —
zijn, spreekt Lijna van zelf; immers dan zouden wij dien
rand, door ons derwaarts le Legeven, moeten kunnen be-
reiken; maar boe ver wij ook reizen, altijd w^elft de lucht
zich op dezelfde wijze over onze hoofden, altijd worden
wij op dezelfde wijze er door omringd. Vanwaar dan dat
voorkomen? *t Is omdat de lucht niet volkomen doorschij-
nend is, zoodat onze blik maar lot zekere verte er in door-
dringen kan. Bespeuren wij niet iets dergelijks, maar veel
sterker nog, als wij in den dauw loopen? Onmiddellijk
om ons heen zien wij geen' dauw, maar eerst op zeke-
ren afstand rondom ons, waar hij ons gezigt beperkt. En
toch overtuigt ons het vochtig worden onzer kleederen,
dat hij ons inderdaad van nabij omringt. Begeven wij ons
naar de plaats waar hij zich dik en zwaar vertoont, dan is
hij, als wij er gekomen zijn, schijnbaar weêr verdwenen,
terwijl wij hem nu achter ons, ter plaatse die wij ver-
laten hebben, waarnemen. Strekte de dauw zich even
zoo naar boven uit als hij naar alle kanten bezijden ons
doet, dan moest hij in 't klein juist dergelijk een gewelf
vormen voor onze waarneming als de dampkring in 't
groot vertoont.
Die onvolkomen doorschijnendheid der lucht kan ook
reden geven van hare blaauwe tint, als zij helder en niet
met zigtbaren waterdamp bezwangerd is. Heuvels, ber-
gen en boomen, zegt men le regt, blaauwen in 't verschiet.
Het licht waarbij wij die voorwerpen zien, komt tot ons
door de lucht heen, en ondervindt van de lucht, voor zoo-
ver het doorgelaten wordt, eene onregelmatige terugkaat-
sing. Ware dit het geval niet, dan zoti de lucht al-
leen le weeg brengen, dat wij, altoos op een' donkeren
grond (zie bl. 185), de lichtende voorwerpen slechts min-
der lichtend en duidelijk aanschouwden. Nu echter vertoont
ook het uitspansel zich helder-, maar lichtblaauw, 't geen
men daaraan toeschrijft, dal de lucht van het witte licht
de blaauwe stralen vooral teruggeeft, de aanvullingskleu-
ren daarentegen opslorpt (zie bl. 104). Op hooge bergen,
waar de lucht ijler is, is ook het uitspansel donkerder, ver-
mits daar niet zooveel luchtdeeltjes aanwezig zijn, om
licht le kunnen terugkaatsen. In een ver verschiet worden