Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 342 —
te regt zouden komen, bijaldien de aarde niet nog eene an-
dere voortgaande beweging bezat, doch hiervan nader. Dat
nu geen voorwerp van onze aarde af, en naar die ligchamen
heenvalt, moet daaraan voornamelijk worden toegeschreven,
dat onze aardbol zelf, gelijk gezegd is, niet minder dan de
op haar vallende voorwerpen de aantrekkende werking der
bedoelde ligchamen ondervindt.
Wat nu omtrent het vallen in 't algemeen is aangemerkt
geworden, dat geldt evenzeer van de zee. Deze bedekt
twee derde gedeelten van het oppervlak der aarde, en
omringt alzoo grootendeels den aardbol. Wel bestaat zij
uit losse waterdeelen, maar deze hebben even als vaste
ligchamen de eigenschap van te vallen, en juist daarom
zullen zij, in weerwil van de rondheid der aarde, overal
op haar oppervlak verblijven.
IV.
Vervolg. Vorm cn Hoogte van den Dampkring.
Boven land en zee treffen wij gelijkelijk lucht aan, die
wij weten dat mede zwaar is. Uit het aangevoerde volgt dus
insgelijks, dat door de werking van dezelfde zwaartekracht
de aarde rondom van lucht omgeven en daarin als gehuld
is. Dat geheele luchtstelsel duidt men aan met den naam
van dampkring. Geenszins echter wil men daarmede te
kennen geven, dat het voornamelijk uit waterdamp bestaat.
Immers wij weten reeds, dat zijne hoofdbestanddeelen eigen-
lijke luchtsoorten zijn, zuurstof namelijk en stikstof (zie
bl. 225), en dat er maar voor een klein gedeelte water-
damp in voorhanden is. Waar ergens men de dampkrings-
lucht ook onderzocht heeft, steeds heeft dat onderzoek tot
de eigen uitkomst geleid, en heeft men altijd dezelfde za-
menstelling teruggevonden.
Als wij ons op 't vrije veld of op eene hoogte bevinden,
en boven en om ons heen zien, dan komt de lucht ons niet
als een omhulsel van geheel den aardbol, maar veeleer als
een hoog koepeldak voor, dat met zijn' onderrand op den
gezigteinder rust. Dat dit echter niet anders dan schijn kan