Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 341 -
Hel bovenslaande verspreidt eenig liciil ointrenl de oor-
zaak van liel vallen. Overal gaal een vallend ligchaam
naar de aarde toe. Wij zien daaruit, dal die oorzaak in de
aarde moet huisvesten; dal de aarde de Luiten haar geplaatste
hgchamen naar zich toetrekt. Hoe dat regt geschiedt, daar-
mede blijven wij echter even onbekend als te voren. Dat
het geen trekken is, gelijk wij doen als wij een ligcliaam,
dat aan het eind van een touw bevestigd is, naar ons toe-
halen, spreekt wel van zelf; men pleegt dal woord hier en-
kel te gebruiken om te kennen te geven, dat de ligchamen
zich even zoo naar de aarde heen bewegen, alsof ze op
dergelijke wijze wierden aangetrokken. Er is bovendien nog
een derde van vergelijking. Wij hebben vroeger gezien, op
bl. 15, dat om een touw enkel te spannen, er aan weers-
kanten evenveel getrokken moet worden. Iels dergelijks
heeft ook hier plaats. Niel alleen valt hel ligchaam naar
de aarde, de aarde valt weèrkeerig ook naar het ligchaam.
Wij moeten ons de zwaartekracht niet voorstellen als eene
kracht, die letterlijk en bij uitsluiting in het middelpunt
der aarde huisvest; dan toch zouden de voorwerpen alle
juist naar het middelpunt, en niet volgens de loodlijn val-
len. Alle stofdeelen trekken elkander aan met een vermo-
gen, dat met de afstanden afneemt, en wel volgens de vier-
kanten dier afstanden vermindert, even als de verlichting
van een vlakje door eene zelfde lichtbron, zie bl. 187.
Eenig ligchaam dat valt, al hel nog zoo groot, is toch
ontzettend klein in vergelijking van den ganschen aardbol,
waar het naar toe valt. Vandaar dal, ofschoon het we-
derkeerig op de geheele aarde dezelfde trekking uitoefent
als het van haar ondervindt, de verplaatsing der aarde toch
volstrekt onmerkbaar zijn zou, ook al ware die waarneming
door de zamengesteldheid van het verschijnsel niet met on-
overkomelijke zwarigheden verbonden.
't Is klaar, dat als de aarde eens niet meer aanwezig
ware, geen ligchaam vallen zou, ten zij er andere ligchamen
bestonden, die dergelijk eene aantrekking daarop uitoefen-
den. Zulke ligchamen intusschen bestaan er inderdaad, de
zon bijv., waar onze aarde, met al wat er op en in is ge-
zamenlijk, naar toe valt; zoodat wij er ten langen laatste op