Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 340 -
wij die in onze verbeelding, dan scheelt er niet veel aan,
of zij ontmoeten elkander alle in het middelpunt. Indien
het mogelijk ware, regt naar beneden diepe putten te gra-
ven tot in het hart der aarde, en men deed dit aan ver-
schillende, zelfs ver van elkander gelegen oorden, zoo zou-
den die putten alle omstreeks dat middelpunt uitkomen.
Bepaaldelijk is er eene plaats op aarde, die juist tegenover de
woonplaats van een' ieder onzer gelegen is; aldaar slaan dus
de menschen met opzigt tot ons waterpasvlak omgekeerd,
zij heeten daarom onze tegenvoeters. Andere aardbewoners,
die zich even ver van hen en van ons bevinden, hebben,
als zij regtop staan, eene rigting die bij ons zoowel als bij
onze tegenvoeters de waterpasse rigting of die van een lig-
gend voorwerp is.
Doch hoe is 't mogelijk, vraagt men, dat levende wezens
en voorwerpen, die niet aan den grond vastgehecht zijn,
zulk eeri' 't onderst boven gekeerden of waterpassen stand
kunnen aannemen, zonder van de aarde af te vallen? Deze
vraag is niet onnatuurlijk, omdat wij gewoon zijn waar te
nemen, dat een vrijvallend ligchaam zich in de rigting
van ons hoofd naar onze voelen, als wij staan, beweegt,
totdat het tegen den grond stuit. Oppervlakkig besluiten
wij daaruit, dat ook elders een ligchaam, als hel valt, in
denzelfden zin zich zal bewegen; maar wij moesten beden-
ken, dal wij zoo doende van eene onderstelling uitgaan,
die ten eenemale onjuist is. De meening toch, dal alle
ligchamen zonder onderscheid, als zij niet worden vastgehou-
den, in eene zelfde rigting zouden moeten vallen, is geheel
uit de lucht gegrepen. De waarneming daarentegen leert
ons, dal overal een vrij ligchaam naar de aarde toe valt.
De valrigtingen mogen dus maar op zeer nabij elkander ge-
legen plaatsen als dezelfde aangemerkt worden. Dat het
ons in 't eerst eenige moeite kost dit loe le stemmen,
is een gevolg daarvan, dat wij niet dan zeer digt bij elk-
ander geplaatste ligchamen gelijktijdig kunnen zien vallen,
of dat wij de rigtingen van een paar vrijhangende lood-
lijnen dan alleen onderling kunnen vergelijken, als ze op
een' afstand van elkander hangen, waarvan de grootte bij de
afmetingen van den aardbol in geen aanmerking komen kan.