Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 339 ~
ting zeer aanmerkelijk. De plaals A toch is digter Lij het
middelpunt der aarde dan eenige plaats aan den omtrek
CEDF, ter waarde van 21318 ellen; de hoogste Lerg dien
wij tot nu toekennen, heeft daarentegen niet meer dan eene
hoogte van 8005 ellen. Ware die Lerg juist Lij A gelegen,
dan zou men op zijn' top toch nog 13253 ellen digter Lij
het middelpunt zijn, dan of men zich ergens op den cir-
kel CEDF aan het oppervlak der zee Levond. Men ziet
hieruit, dat alle ongelijkheid op het oppervlak der aarde,
door Lergen en dalen veroorzaakt, te gering is om in hare
gedaante onregelmatigheid van eenige Leteekenis te weeg
te Lrengen-, de hoogste Lerg toch is in verhouding tot
den aardbol niet meer, dan een uitstek van nog geen
streep hoogte op een' bol van anderhalve el middel-
lijn. De kortste middellijn der aarde AB noemt men,
om nader te melden redenen, de as der aarde-, hare uit-
einden A en B de aardpolen; de omtrekken die over de
polen A en B heengaan, meridianen, en de cirkel CEDF,
die de grootste middellijn heeft, en op welks vlak de as
der aarde loodregt staat, heet de evenaar of wquator, ook
wel de linie.
III.
Gevolgen van de rondheid der Aarde.
Als wij onze kennis, dat de aarde rond is, in verband
brengen met hetgeen wij vroeger omtrent het vallen gezien
hebben, dan krijgen wij aanleiding om merkwaardige gevolg-
trekkingen te maken. Het blijkt dan, dat als menschen, die-
ren of voorwerpen in 't gemeen op twee verschillende punten
der aarde regtop staan, hunne standen inderdaad onderschei-
dene rigtingen hebben. Wij zeggen immers, dat een voor-
werp regtop geplaatst is, als het naar geen' kant overhelt-,
als het de rigting heeft van een vrijhangend peillood, dus als
zijn stand met de waterpasvlakte even groote hoeken maakt.
Nu gaat voor een' bol, en dus ook nagenoeg voor de aar-
de, zulk eene rigting altijd door het middelpunt. Met an-
dere woorden: stellen wij ons gelijktijdig op verschillende
punten der aarde vrijhangende loodlijnen voor, en verlengen