Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 33C ^
pl
bestaan, eene belangrijke afwijking van de bolvormige ge-
daante zou moeten te weeg brengen. Naauwkeurige me-
tingen kunnen derhalve alleen dat punt beslissen.
Dat intusschen het oog ons niet bedriegt, in zoover het
aan onze aarde eene gekromde in zich zelve wederkeerende
oppervlakte toekent, is door zeereizigers bevestigd gewor-
den. Men is van Europa uitgezeild, al westelijk op, en
men is eindelijk teruggekomen op de plaats van waar men
was uitgegaan. De eerste reizigers, die op deze wijs den
aardbol omzeild hebben, waren het scheepsvolk van ma-
gellaan in den jare 1520; hij zelf had vóór het einde van
den togt, op een der Philip pijns che Eilanden den dood ge-
vonden. Zulke reizen bewijzen echter de doorgaande rond-
heid der aarde enkel in de rigting waarin elke reis vol-
bragt wordt, en ten onregte zou men er uit besluiten, dat
de aarde in alle rigtingen ronding heeft, zoo lang men ze
nog niet in alle rigtingen omgetrokken is. Eene zuiver ge-
draaide rol of cilinder toch kan men op velerlei wijzen
rondgaan, ofschoon zij in eene bepaalde rigting regtlijnig
is, en dus in 't geheel geen kromming heeft.
II.
Meting van den Aardbol.
Alleen door meting kan de gedaante der aarde naauw-
keurig gevonden worden. Een bol heeft de kenmerkende
eigenschap, dat alle regte lijnen die wij ons van een punt
op het oppervlak dwars door het inwendige van den bol heen
naar het juist tegenovergestelde punt voorstellen kunnen,
even lang zijn. Ware men dus in staat de lengte van ver-
schillende zoodanige middellijnen werkelijk te meten, zoo
zou het kunnen blijken of de aarde inderdaad een bol is.
Die meting, gesteld het wierd alzoo bevonden, zou ons te-
vens de grootte van den aardbol doen kennen. De lengte
toch der middellijn van een' bol is voldoende om daaruit
zijn' omvang, de grootte van zijn oppervlak, en zelfs de
door den geheelen bol ingenomen ruimte le berekenen.
Doch 't is duidelijk, dat regtstreeks meten hier onmo-