Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 335 —
plat vlak te beschouwen, doordien de kleine oppervlakten
Avater, die wij gemeenlijk overzien, zich als volkomen vlak
voordoen. Maar een zeer klein gedeelte van eene gebogen
oppervlakte kan zoo geringe kromming hebben, dat het
van een plat vlak op 't gezigt niet te onderscheiden is.
Ifet bezwaar wordt dus gereedelijk uit den weg geruimd,
als wij in aanmerking nemen, dat het juist de uitgestrekt-
heid der zee is, die hier de ronding in 't oog doet vallen.
Bovendien staat onze waarneming niet op zich zelve, maar
zij wordt door andere verschijnselen gesteund en bevestigd.
Als bijv. bij eene maansverduistering de maan in de scha-
duw onzer aarde treedt, dan blijkt het, dat die schaduw
altijd rond is, iets dat niet het geval zijn kon, als de aarde
eene platte schijf ware, of men moest daarbij nog aannemen,
dat zij altijd een' bijzonderen stand ten opzigte van de zon
behield, dat tot nieuwe bezwaren aanleiding zou geven
in verband met hetgeen wij later zien zullen.
Laat men op 't vlakke veld of op zee den blik vrij in
't rond weiden, dan vindt men zich als geplaatst in 't
midden van een' kring, welks omtrek de grens uitmaakt
tusschen het zigtbare en heigeen door de ronding der aarde
verborgen blijft; dien kring noemen wij gezigteinder of ho-
rizon. Kiest men een standpunt dat boven den grond ver-
heven is, dan wordt de kring grooter, onze horizon verwijdt
zich; immers wij zullen verder kunnen zien. Die gezigt-
einder vertoont zich overal op aarde als een cirkel, en dat
doet ons reeds vermoeden, dat de kromming onzer aarde,
waar men zich ook bevinden mag, naar alle kanten in 't
ronde, nagenoeg althans, gelijkmatig is; zoo toch hel tegen-
deel waar was, dan moest de horizon soms eene andere
kromme lijn wezen. De gedaante der aarde schijnt dus die
van een' bol te zijn. Hare volkomen bolvormigheid kunnen
wij echter op 'l gezigt niet wel beoordeelen. Wie toch zal
durven bepalen, gesteld dal zijn oog lot aan de uiterste grens
van 'l zigibare reikte, of hij in alle rigtingen om zich heen
juist even ver zien kan, en 't is klaar, dat een klein ver-
schil in kromming den eenen of anderen kant uit, 't welk, op
den geringen afstand dien wij gelijktijdig vermogen te over-
zien, niet eens merkbaar ware, bijaldien het verder bleef