Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 332 —
gelaten heeft en verdroogt, waarin zij als in een' dop zich
blijven opsluiten, dan weder is het een dun zakje of huidje
waarmede zij bedekt zijn, 't welk naauwkeurig op de op-
pervlakte van hun ligchaam past, niet ongelijk aan wind-
sels, vanwaar de naam van pop waarschijnlijk afkomstig
is. Alvorens de popwording plaats heeft, spint de rups
niet zelden zich in, gelijk van den zijworm overbekend
is. Eindelijk komt het volkomen insect uit de pop te voor-
schijn, dat na korter of langer tijd sterft.
Bij het zoogenaamde oeveraas of haft geschiedt de over-
gang van pop tot vliegend insect zóó spoedig, dat het bijna
gelijktijdig een kruipend en vliegend dier is. In den laat-
sten toestand leeft het zeer kort, dikwijls niet langer dan
een' dag, vermits het doorgaans in het water valt en ver-
drinkt of eene prooi der visschen wordt. Is dit het geval
niet, dan kan zijn beslaan zich wel een acht dagen rekken,
wanneer men het duidelijk van ouderdom ziet sterven.
De maskers der muggen leven in het water, en hangen
met den staart aan de oppervlakte van het water, om door
eene ademhalingsbuis op den rug lucht te scheppen, zoo-
dat hun hoofd omlaag gekeerd is. Zij zwemmen schie-
lijk, en vervellen eenige malen eer zij poppen worden.
Deze bewegen zich ook, ofschoon ze niet eten kunnen, en
drijven nu regt in het water met het hoofd naar boven,
waaraan zich twee pijpjes bevinden, die thans tot de
ademhaling dienen. Tusschen die beide pijpjes splijt ein-
delijk de huid, waaruit dan ten laatste de mug voor
den dag kruipt, voorloopig op de poppenschaal als op een
schuitje nog een weinig blijft drijven, om, als hare vleugels
behoorlijk ontplooid en sterk genoeg zijn, het water te ver-
laten en verder in de lucht te leven.
Nog verdient eene bijzondere vermelding, hoe sommige
kruipende diersoorten op jeugdigen leeftijd eene geheel ver-
schillende gedaante verloonen. De kikvorsch bijv. heeft
aanvankelijk veel gelijkenis op een vischje, hij kan dan ook
niet anders dan in het water leven. Bij een' zeer groo-
ten kop heeft hij nog geen ledematen, maar daarentegen
een' langen platten staart. Vervolgens ontwikkelen zich
kieuwen, die naderhand weêr afvallen, wanneer er levens