Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 330 —
de eigenaardige wonnliewegingen der ingewanden, door
welke laatste de chytn- en drekstoffen al verder en verder
geschoven worden, schijnen enkel door het zenuwvlecht-
stelsel opgewekt en gaande gehouden te worden, gelijk wij
voorloopig reeds vermeldden. Immers deze heeft men nog
zien voortduren hij dieren, wier hersenen en ruggemerg
men vernietigd had, mits men maar zorgde de ademhaling
kunstmatig te onderhouden.
VIII.
Verschillende Tijdperteu des dierlijken Levens.
Bij den mensch en de hooger bewerktuigde dieren on-
derscheidt men drie tijdperken des levens: de jeugd, den
volwassen leeftijd en den ouderdom. Het kind, dat zijn
vroegste voedsel en lafenis aan de moederborst vindt, be-
gint eerst tegen het einde van zijn eerste levensjaar tanden
te krijgen, in 't geheel ten bedrage van twintig, vier paar
snijtanden namelijk, twee paar hoektanden en vier paar
maaltanden of kiezen. Men noemt ze melktanden, omdat
ze weldra uitvallen en tegen nieuwe verwisseld worden;
waarbij zich vervolgens tusschen de zes en acht jaren een
derde, tusschen de vijftien en achttien jaren een vierde, en
eindelijk op nog lateren leeftijd een vijfde viertal kiezen voegt.
Het kind neemt spoedig toe in grootteen krachten, het leert
loopen en spreken, ontwikkelt zich als jongeling meer en
meer, en is op een' leeftijd van nagenoeg vijfentwintig jaren
volwassen. In het mannelijk tijdperk groeit de mensch niet
meer, maar heeft nu zijne geheele lengte en de volle maat
zijner krachten verkregen. Het vuur der jeugd is door
rijpheid van oordeel en vastberadenheid getemperd gewor-
den. Naar ligchaam en geest heeft hij den hoogsten trap
van ontwikkeling bereikt, waarvoor hij vatbaar is. Daarop
houdt hij zich een twintig- of dertigtal jaren slaande, en
dan begint van lieverlede de ouderdom zich aan le kon-
digen, zijne krachten vangen aan te verminderen, zijne ha-
ren te grijzen, geheel zijn ligchaam te vermageren, rimpels
verloonen zich op zijn voorhoofd, zijne oogen nemen in