Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 15 —
ken, behalve een menigte overbekende spelen, het knik-
keren, om er een te noemen; immers moet daarbij onze
duim in een bepaalde rigting veêren, om den knikker in
diezelfde rigting voort te stuwen. Wij onderscheiden de
krachten dus ook naar hare rigting.
Wanneer aan een ligchaam twee touwen worden vast-
gemaakt, en er aan beiden tegelijk in verschillende rigtingen
getrokken wordt, dan beweegt het ligchaam zich niet in de
rigting, waarin de kracht, die aan het eene touw trekt, het
tracht te bewegen; ook niet in de rigting, waarin de an-
dere kracht werkt, maar in een rigting die tusschen beide
in ligt. Die rigting ligt juist midden tusschen de andere in,
wanneer de beide trekkrachten even groot zijn; zijn zij daar-
entegen niet even sterk, dan zal de middenrigting nader
bij die van de grootste kracht komen.
VIII.
Evenwigt. Traagheid.
Wordt een ligchaam door twee even sterke krachten,
in tegenovergestelde rigtingen getrokken, dan komt het niet
in beweging, dan zeggen wij dat het in evenwigt is.
Denken wij ons bijv. een' hond, dien wij met eenige
moeite aan een touw terughouden, dan wordt er door den
hond en door ons naar weerszijden even sterk getrokken aan
dat touw, zonder dat het zich verplaatst, ziedaar dan even-
wigt. Maken wij het touw, in stede van het langer in de
hand te houden, aan een' ring in den muur vast, dan
mögt het schijnen of het geval anders ware, en de hond
alleen trok; maar dan moest het touw, daaraan gehoor ge-
vende , in de rigting waarin de kracht wordt aangewend
zich voortbewegen. Het is dus de ring, die nu doet het-
geen onze hand zoo straks deed, immers hij houdt nu den
hond terug, en daar hij hem niet tot zich doet naderen,
trekt hij, gelijk wij deden , juist even hard als de hond;
het touw is wederom in evenwigt. Die benaming even-
wigt is eigenlijk ontleend aan twee ligchamen die elkan-
der opwegen, gelijk plaats zou vinden, als men aan de
beide einden van een koord gelijke gewigten bond, en het