Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 32!) —
het ligchaam van voren in dezelfde middelstof ontmoet.
Het komt derhalve op hetzelfde neder, alsof de veer we-
derom tegen een vast beletsel drukte, maar slechts door eene
kracht omspannen wierd gelijk aan hel verschil van beide
tegenstanden. Daar de ledematen zich telkens op nieuws
moeten intrekken, zoo zou, bijaldien dit met dezelfde snel-
heid geschiedde, aanstonds wéér verloren worden hetgeen
naauwelijks gewonnen was. En zeer langzaam kan het niet
wel plaats vinden, ten zij bij visschen en zwemvogels, die
even zwaar of wel ligter dan water zijn en daarin zweven
of er op drijven, daar bij het zwemmen van andere dieren
of bij de vlugt der vogels, vleermuizen en insecten, de be-
weging tegelijk den val moet verhoeden, zie bl. 129. Om
dus ook hierin te voorzien, en in 't algemeen het bezwaar-
lijke van eene telkens afwisselende snelheid weg te nemen,
zijn de visschen met waaijerswijze toeslaande vinnen, de
zwemvogels en zeehonden met dergelijke zwemvliezen, de
vleermuizen, vogels en insecten met vlies- of vedervleugels
toegerust, die zij beurtelings breed en smal kunnen maken.
Bij sommige dieren worden door eene geringe wijziging
in den beenderbouw en de inrigting der geledingen, de lede-
maten die gewoonlijk alleen tot verplaatsing van 't geheele
ligchaam strekken, ook nog tot een ander einde, tot grijpen,
vasthouden en verscheuren dienstbaar gemaakt-, men denke
slechts aan de klaauwen van de roofdieren, zoowel van vo-
gels als van zoogdieren. Zoo hebben de groote teenen der
apen eene onafhankelijke beweging, even als onze duimen,
'l geen maaki dal de apen in waarheid vier handen bezit-
ten, ofschoon deze in volmaaktheid voor de menschelijke
hand ver moeten onderdoen. Zoo kunnen enkele aap-
soorten hel einde van haar' langen staart om een' boomtak
krullen en zich op die wijze daaraan hangende houden-,
de staart dient de dieren anders, even als het roer aan
een schip, om te sturen en te wenden.
Al de hier vermelde bewegingen zijn willekeurige bewe-
gingen, waarvan wij ons zeiven bewust zijn; zij gaan, zoo
als wij gezien hebben, öf onmiddellijk öf door middel van
het ruggemerg, van de hersenen uit. De geheel onwille-
keurige daarentegen, de kloppingen van het hart bijv. en