Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 328 —
evenwigl verkeert, zie hl. 84, en dus nooit geheel zonder
steun is, zoodal de mensch of het dier altijd in aanraking
blijft met den grond, is dat bij hei springen het geval niet.
Daarbij geeft men zich geheel op, om, een weinig of soms
veel verder, op juist berekende wijze, weder neèr le vallen.
En hoe heeft die beweging plaats? Door het plotseling
strekken van ledematen die een oogenblik te voren sterk
gebogen waren. INemen wij onze koperen spiraal veèr we-
derom ter hand, maar laat ons haar in stede van ze uit te
rekken, in tegendeel indrukken met het eene uileinde tegen
een vast beletsel, dan herneemt ze, losgelaten zijnde, eens-
klaps hare oorspronkelijke lengte, en de tegenstand die haar
verhindert in beide hare rigtingen zich te verlengen, geeft
haar eene snelheid in zulk eene rigting, als die haar van het
steunpunt doet opspringen. Door dergelijk eene veering
nu vermag men geheel zijn ligchaam van den grond op le
heffen. Is dit zoo, dan lijdt het geen' twijfel, of naar mate
de zaamgebogen ledematen langer zijn, en met meer spoed
en kracht zich vermogen le ontvouwen en te strekken door
de werking der spieren, naar die male ook de sprong hoo-
ger of verder moet kunnen geschieden. En inderdaad: de
dieren die in het springen uitmunten, kallen bijv., konij-
nen en kikvorschen, maar bovenal springhazen, bezitten te
dien einde betrekkelijk zeer lange achterpooten. De voor-
pooten zijn in tegendeel eer kort ineengedrongen, en niet
zonder reden. Zij zouden anders maar noodeloos hel gewigl
verzwaren, en moeten bovendien voornamelijk dienen om
den val te besturen en onschadelijk le maken; 't is daarom
ook een vereischte, dat zij behoorlijk bestand zijn, om den
aanmerkelijken scliok van de geheele vracht des neêrkomen-
den ligchaams te verduren.
Het zwemmen en vliegen zijn bewegingen van denzelfden
aard als het springen, met dal onderscheid alleen, dal
hierbij eene vloeistof en een gas, die zelve zoo bijzonder ge-
makkelijk verplaatsbaar zijn, als tegenstand biedende lig-
chamen den grond vervangen. De ledematen, die, terwijl
zij zich uitbreiden, snel naar achteren worden bewogen,
steunen daarbij meer of min tegen het water of de lucht,
en ondervinden daarvan in die rigting meer tegenstanil dan