Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 327 -
door eenigzins strekken van den voel, het linkerbeen bijv.,
waardoor wij hel gewigt des ligchaams op het regterbeen
alleen overbrengen. Zonder dat — de proef zal er ons aan-
stonds van overtuigen — zou bet niet mogelijk zijn, het eerst-
genoemde been vooruit le brengen, of wij zouden omvallen.
Nu kan dit echter geschieden-, en alzoo wordt dan het
zwaartepunt schuins-links naar voren gebragt, daarin nog
geholpen door de uilstrekking van den regiervoet, alwe-
derom het gevolg van de zamentrekking der kuilspier. Het
ligchaam is derhalve niel langer ondersteund en moet val-
len, doch de linkervoet is middelerwijl weêr op den grond
neergezet, en het been is dus gereed zijn' verderen val te
verhoeden en het op zijne beurt te schragen. Daarop wordt
het evenwigt door het vooruitbrengen van het regterbeen
van nieuws gestoord, en het zwaartepunt met eene kleine
wending van hel bekken schuins-regts naar voren gebragt,
en zoo vervolgens. Ons gaan is derhalve niet anders dan
een telkens herhaald vallen. Allezins verklaarbaar wordt
ons nu de angstige vrees van het kind, om de eerste schre-
den te wagen, 't Is tevens duidelijk, daar dat vallen bij
afwisseling nu links, dan weder regls naar voren moet plaats
hebben, dat zwaarlijvige lieden, wier beenen tot steviger
ondersteuning van de vracht huns ligchaams wijder uit elk-
ander plegen te staan, noodzakelijk een' waggelenden gang
hebben, 'tgeen wij trouwens ook aan de eenden en ganzen
kunnen waarnemen.
Niet anders is het met den gang der viervoetige dieren
gesteld, ook dat is een herhaald gebroken val. Als men
naauw toeziet, zal men bespeuren, dat meest alle den reg-
ier voor- en linker achterpoot gelijktijdig opligten, daarna
den linker voor- en regier achterpoot, en zoo oin en om.
De kameelpardel maakt daarop eene merkwaardige uilzon-
dering, als die beurtelings öf op de beide regier- öf op de
beide linkerpooien het gewigt van zijn ligchaam laat neêr-
komen. Hel spreekt wel van zelf, dat bij een' zelfden spoed
dier afwisselende valbewegingen, de snelheid bij onder-
scheiden dieren des te grooler wezen moet, naar mate hunne
ledematen meer lengte hebben.
Terwijl bij het gaan het ligchaam telkens in een wankel