Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 32/1 —
dan wij ons eerst verbeeldden, en in buiging met de onze
overeenkomt-, dal hetgeen wij oppervlakkig daarvoor hiel-
den de hiel van den voet is, die bij die dieren niet gelijk
bij ons op den grond komt le rusten. Dit is bij den mensch
noodig, aangezien hij maar op twee beenen loopt, om
aan het gewigt van zijn ligchaam een' breeden grondslag te
geven; zie bl. 85. De dieren daarentegen waarvan wij ge-
waagden, behoeven dit niet, daar zij vier steunpunten
hebben; zij kunnen dus, zoo als zij werkelijk doen, op de
teenen gaan, en dat niettegenstaande het aantal teenen
dikwijls tot op twee, gelijk bij het hert, of zelfs tot op
één, gelijk bij het paard, verminderd is. Beeren, spring-
hazen en eenige weinige andere, die van nature soms op de
achterpooten alleen staan of gaan, brengen dan ook wel
degelijk hunne hielen op den grond. Niet alzoo doen de
vogels, ofschoon ze om hun ligchaam te ondersteunen maar
twee pooten bezitten; doch hunne van groote nagels voor-
ziene teenen zijn ook betrekkelijk zeer lang en beslaan een
groot vlak, waardoor het hun zelfs mogelijk wordt, gelijk
wij aan onzen ooijevaar veelvuldig kunnen waarnemen, om
een' geruimen tijd met het grootste gemak op een been
te staan.
De vogels, zal men zeggen, hebben geen voorste lede-
maten, en in plaats daarvan vlerken of vleugels; maar die
vleugels, al zijn ze ook voor het vliegen met pennen toe-
gerust, zijn wezenlijk niet anders dan armen, waaraan bo-
venarmsbeen, ellepijp, spaakbeen noch hand ontbreken.
Bij de vledermuizen heeft zelfs de hand evenveel vingers
als de onze, doch haar duim vertoont zich alleen als zoo-
danig; de lange vingers dienen bij wijze van de baleinen
van een regenscherm, om het vlies, waarin zij zich als in
een' mantel hullen, tot vliegen uit te spreiden. Bij de vis-
schen verkrijgen de armen de gedaante van vinnen, maar
dat ook dit inderdaad armen zijn, lijdt bij eene opmerk-
zame beschouwing geen' den minsten twijfel.
't Is ons gebleken, hoe de romp den voornamen steun
voor alle bewegingen des ligchaams uitmaakt, en hoe andere
steunpunten, die zelve meer of min bewegelijk zijn, de ge-
vorderde vastheid van deel tol deel aan die van den romp