Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 323 —
en Legrenst daarmede eene ring- en tevens liomvormige holte,
het zoogenoemde bekken. Het heen hestaat, even als de
voorarm, uit twee heenderen, het scheen- en het kuitbeen.
Het eerstgemelde is veel dikker en zwaarder-dan het tweede,
dat zich daarachter hevindt, en hetzelve als tot schoor of
stut dient. Ook het scheenbeen laat zich om het kuitbeen
heenwringen, evenwel in veel mindere mate dan dit bij
den voorarm plaats heeft, zoodat ook de voet buiten- en
binnenwaarts gedraaid kan worden. Wederom, even als aan
de hand, onderscheidt men aan den voet, die uit zesen-
twintig hoofdbeenderen bestaat, drie deelen, den voetwortel
namelijk, den middenvoet en de teenen.
In 't beschrijven van het menschelijk geraamte zijn wij
uitvoeriger geweest, vooreerst omdat een ieder aan zijn eigen
ligchaam het een en ander kan nagaan, en alzoo te eerder
in het medegedeelde belang zal stellen. Welligt ook wordt
daardoor de lust opgewekt om dien kunstigen bouw van
nog naderbij le leeren kennen; 't geen ons telkens meer zal
vervullen met hooge bewondering en diep ontzag voor Hem,
die dezen tempel te zijner eere zoo overschoon en doelma-
tig heeft opgetrokken. Maar in de tweede plaats kwam
dit ons gepast voor, omdat naar hetzelfde plan ook de ge-
raamten van alle gewervelde dieren zijn ingerigt, waarvan
wij ons nu ligtelijk kunnen overtuigen, zoo dikwijls wij in
de gelegenheid zijn het beendergestel van 't een of ander
dier le beschouwen. Mogen er al soms enkele deelen ont-
breken, vele andere in vorm en afmetingen aanmerkelijke
wijzigingen vertoonen, de hoofddeelen vindt men bij alle
terug, en altijd in dezelfde rangorde en opvolging; tref-
fend inderdaad is de eenvoudigheid en overeenkomst der
middelen, die lol zoo velerlei einden dienen. Het zou
ons te ver leiden, wilden wij dit in 't breede ontvouwen,
de vermelding van een paar voorbeelden moge daarom
volstaan.
Als wij op de achterpooten van de meeste viervoetige die-
ren letten, dan zouden wij zeggen, dat hunne kniën geheel
anders dan de onze zijn ingerigl, immers ze schijnen naar
achteren in stede van naar voren te staan. Een naauwkeurig
onderzoek zal ons echter leeren, dat de knie hooger ligt,
21 *