Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 322 —
dieren de eindvvervelen dit wel zijn en een' staart vormen.
De wervelkolom bestaat dus in 't geheel uit vierentwintig
wervelen, benevens het heilig-en stuitbeen. Al die wervelen,
met uitzondering alleen van den bovensten, iiebben ieder
een doornswijs uitsteeksel, dat bij den laatsten nekwervel,
t. w. den zevenden, grooter is dan bij de hooger gelegene,
waarvan men zich gemakkelijk op het aanvoelen kan
overtuigen.
O
De ledematen eindelijk worden onderscheiden in bovenste
en onderste ledematen. Beiden bestaan uit een gelijk aantal
geledingen. De bovenarm, voorarm en hand maken de
bovenste, de dij, het been en de voet de onderste lede-
maten uit.
De bovenarm is een enkel been met een bolvormig bo-
veneinde, 't welk past in eene dergelijke holte onder de
schouderhoogte, dat is de zich verbreedende hoek van eene
van twee driehoekige beenplaten, de schouderbladen, die
van achteren aan weerszijde een gedeelte van den rug be-
dekken. Voorts zijn de schouderlioogten elke met een dun
flaauw CAivormig been, het sleutelbeen, naar voren met
het boveneinde van het borstbeen verbonden. De beschre-
ven wijze van inhechting van den bovenarm, met een zoo-
genoemd neutgewricht, maakt dat hij in zeer vele rigtingen
beweegbaar is. De voorarm is aan den bovenarm ver-
bonden met een zoogenoemd scharniergewri.cht, dat hem
alleen eene draaijende beweging in éénen zin toelaat. Hy
bestaat uit twee beenderen, het spaakbeen, waaraan de hand
bevestigd is, en de ellepijp, waaromheen het eerstgemelde
been met de hand eene soort van wringbeweging kan aan-
nemen, die ons in staat stelt de opgehoudene vlakke hand
om te wenden. Aan de hand, die alleen uit niet minder
dan zevenentwintig hoofdbeenderen zamengesteld is, onder-
scheidt men den handwortel, de middenhand en de vingers.
De dij is wederom, gelijk de bovenarm, een enkel been;
ook dit is met een neutgewricht ingeplant, en wel in het
heupbeen, dat eene vrij onregelmatige gedaante heeft en za-
mengegroeid is met dat gedeelte van den romp, dat den naam
van heiligbeen draagt. Het heiligbeen, dat naar beneden
smaller vyordt, sluit bij wijze van eene wig hel heupbeen.