Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 321 —
noemd om hvmne zeer groote hardheid. Van onderen heeft
de schedel eene menigte van openingen, tot doorlating van
bloedvaten en zenuwen, eene van welke bijna cirkelrond en
veel grooter is dan al de andere. Deze bevindt zich in hel
achlerhoofdsbeen, en verleent den toegang aan het rugge-
merg, zie bl. 313. Aan weerskanten dier opening, een wei-
nig naar voren, zijn twee knobbels aanwezig, waarmede de
schedel op den romp rust, hetgeen gelegenheid geeft om de
voor- en achterwaartsche beweging met het hoofd te maken.
Het gewigligst deel van den romp, ja van geheel het
ligchaam, wat de beweging betreft, dat deel, hetwelk de
hoofdsteunpunten van al de overige bevat, en de minste
afwijkingen bij de onderscheidene diersoorten oplevert, is de
wervelkolom. jMen geeft dien naam aan eene opeenstape-
ling van zoogenaamde wervelen, die de gansche lengte des
ligchaams, van den nek lot den stuit, beslaat. Het zijn
eenigzins ringvormige beentjes, die stuk voor stuk op eene
eigenaardige wijze zich aan elkander aansluiten. Naar vo-
ren, aan den binnenkant van den bovensten wervel, die
het hoofd draagt, is eene kleine groeve aanwezig, Avaarin
een opstaande tand van den tweeden wervel grijpt, om
welken eerstgemelde wervel met hoofd en al als om eene
as draaijen kan.
De vijf volgende wervels maken met de twee reeds ge-
noemde den nek uit. Daarop volgen er twaalf, de rug-
wervelen, van welke ter weerszijde de ribben uilloopen, die
als halve hoepels de borstholte omvatten, en waarvan er
zeven van voren met kraakbeenige verlengstukken aan hel
regt naar omlaag gaande borstbeen bevestigd zijn; de ove-
rige vijf paren heeten valsche ribben, omdat zij al korter
worden, zich daardoor niet zoo ver naar voren uitstrekken,
en omdat hare kraakbeenige verlengstukken het borstbeen
zelf niel bereiken, maar telkens aan die van de onmiddel-
lijk hooger gelegen ribben gehecht zijn. Dan komen de vijf
lendenwervelen. Op deze volgen in de eersle kindsheid van
den mensch wederom vijf, en eindelijk nog vier wervelen.
Doch al spoedig vergroeijen die vijf, zoowel als dat vier-
tal, tot twee enkele beenderen, het heiligbeen en den stuit.
Het laatste been is niet hol, terwijl in 't algemeen bij de
21