Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 320 —
Bij de laagste diersoorten zijn de spieren alle ingeheclu
■ in liet weeke en Buigzame Luitenbekleedsel, waarvan dus
de gedaante door hare werking gewijzigd wordt, doordien
het zich geheel of gedeeltelijk beweegt. Maar bij dieren,
die eene hooger ontwikkelde bewerktuiging bezitten, is ook
die voor de bewegingen geenszins zoo eenvoudig, daar deze
veel juister en van grooter omvang moeten zijn. Bij hen
treft men dan ook een zamenstel van harde deelen aan, die
een stevig geheel uitmaken, en daarop is het dat de spie-
ren ingeplant zijn, terwijl het tevens datgene omgeeft wal,
van meer teederen aard, beschutting noodig heeft. Dat za-
menstel draagt den naam van geraamte. Bij sommige die-
ren, bij insecten bijv. en schaaldieren, is het uitwendig, en
bestaat enkel in eene wijziging der huid-, maar bij den menscii,
' en de diersoorten wier ligchaam het zijne naderbij komen,
is het inwendig gelegen-, het bestaat daar aanvankelijk uit
zoogenoemd kraakbeen, eene witte, digte, zeer veerkrachtige
zelfstandigheid, die daarbij grooten weerstand biedt, zijnde
eene wijziging van het vorm- of celleweefsel. Behalve bij
sommige vischsoorten, den rog bijv., neemt echter dat kraak-
been weldra eene menigte van steenige stoffen van kalk-
achtigen aard op, en wordt daardoor onbuigzaam, breek-
baar en zeer hard-, het is dan eigenlijk been geworden.
Aan 't menschelijk geraamte, dat meer dan twee honderd
verschillende beenderen telt, onderscheidt men drie hoofd-
deelen: den schedel, den romp of tronk en de ledematen.
De schedel bestaat weer uit de hersenpan en de gelaats-
beenderen. De hersenpan omvat de hersenen en is zamen-
gesteld uit acht beenderen, eenige zeer veel kleinere niet
medegerekend. Al die acht beenderen sluiten stevig in of
tegen elkander, en maken met de gelaatsbeenderen, die
veertien in aantal zijn, een onwrikbaar geheel uit, met
uitzondering alleen van het onderkaaksbeen, dat, gelijk
bekend is, neer en op bewogen kan worden. Het gelaat
heeft vijf groote holten: ééne mond- en twee neusholten,
benevens twee oogkassen, voor de zintuigen van den smaak,
den reuk en het gezigt. De gehoorbeenderen bevinden
j'^ zich in de rotsbeenderen, die als gedeelten der slaapbeen-
'J , deren tot de hersenpan behooren-, zij worden aldus ge-