Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 318 —
heid van het Ucht op hl. 212, v.v., voor zoover den
mensch betreft, reeds het noodige gezegd geworden. Wij
hebben daarbij alleen nog het een en ander te voegen ten
aanzien van de oogen der dieren. Met betrekkelijk geringe
afwijkingen komen de oogen van alle gewervelde dieren
met de onze overeen. Ook zijn er enkele vyeekdieren, waar-
van hetzelfde geldt. Maar de insecten hebben geheel an-
dere zoogenaamde zamengestelde oogen, waarvan de opper-
vlakte eene groote menigte, somtijds wel eenige duizende,
lensjes vertoont. Naauwkeurig onderzoek heeft daaromtrent
tot deze uitkomst geleid, dat met elk van die oogjes een
klein gedeelte of vakje van eenig voorwerp gezien wordt,
alle welke geziene vakjes bij wijze van mozaïk zich tot een
beeld van het geheele voorwerp zamenvoegen. Behalve
zulke zamengestelde oogen aan weérszijde van den kop, heb-
ben vele insecten nog boven op den kop, in het midden, een
drietal of anders een paar eenvoudige oogen, die zich als
zeer bol voordoen, en hun kunnen dienen om van zeer nabij
te zien. De dagvlinders en bijkans alle torren missen die
eenvoudige oogen geheel. Ook de oogen der schaaldieren,
kreeften, krabben, garnalen en dergelijke moet men in een-
voudige en zamengestelde onderscheiden, die men echter bij
die dieren niet als bij vele insecten tegelijk aantreft.
VI.
Bewegingbwevktuigen der Dieren.
Uit het voorgaande weten wij, dat de zenuwen niet enkel
dienen om gewaarwordingen te geven, maar tevens om de
werkzaamheid van andere deelen des ligchaams op te wek-
ken. Het zijn namelijk de spieren en spierrokken, tusschen
en langs welke de bewegingszenuwen heenloopen, die door
derzelver invloed zich krachtig zamentrekken, en ziedaar
het middel waardoor de mensch en de dieren zich verplaat-
■sen of althans voor een deel bewegen, op de wereld buiten
hen werken en hunne behoeften en aandoeningen kenbaar
maken. Wij willen trachten op te helderen, hoe die za-
mentrekbaarheid van het spierweefsel voornamelijk dat doel
doet bereiken. Denken wij ons te dien einde een paar