Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 317 —
de vleesch vretende en de herkaauwende zoogdieren. Die-
ren, die in 't water leven, rieken door middel van de
vloeistof die hen omgeeft, en hun reukorgaan levert dan
ook eigenaardige wijzigingen op. De neusholten der vis-
schen bijv. hehhen geen verband met den achtermond,
maar loopen blind, en het slijmvlies, waarmede zij als 't ware
gevoerd zijn, vertoont eene menigte van plooijen straalswijze
als om een middelpunt, ofwel evenwijdig gelijk de tanden
van een' kam om eene middellijn geordend. Vreemd is hel,
dat aan vele dieren een ongemeen Cjne reuk niet ontzegd
kan worden, aan gekorvene, schaal- en weekdieren bijv.,
hoewel men tot dusver niet het minste zintuig, dat daartoe
bestemd schijnt, bij hen vinden kon.
Het oor is het gehoororgaan bij den mensch. Op bl. 5Ï)
gewaagden wij reeds van het trommeMies, waarmede bij
het mensciielijk oor de inwendige gehoorgang eindigt. Acii-
ter het trommelvlies bevindt zich de zoogenaamde troin-
melholle, die eenige beentjes bevat, met lucht gevuld is
en door eene buis gemeenschap heeft met de buitenlucht,
die neus en mond indringt. Vlak daarachter vindt men
eene besloten ruimte van zeer vreemdsoortigen vorm, die
als gevuld is met een' vliezigen zak, waarin een vocht. In
dat vocht eindelijk zweven en verbreiden zich de uiteinden
van het achtste zenuwpaar, dat alzoo de geluidtrillingen
der lucht tot de hersenen overbrengt. Van de groote za-
mengesteldheid van het oor weet men zich nog niet wel re-
kenschap te geven, te minder, omdat sommige van deszelfs
deelen blijkens de ondervinding zonder groot nadeel ge-
mist kunnen worden. De vogels ook hebben niet eens een
uitwendig oor, bij de kruipende dieren ontbreekt zelfs de
gehoorgang. Bij de meeste visschen treft men nog onvol-
komener oor aan. Doch aan geen gehoorwerktuig, zoo er
ergens een gevonden wordt, mist men een met vocht ge-
vuld vlies, waarin eene zenuw eindigt en zich uitbreidt.
Weekdieren en insecten schijnen geen opzettelijk werktuig
van dien aard te bezitten, ofschoon men ze toch niet wel
voor volslagen doof kan houden, 't geen men van nog la-
gere diersoorten bijna moet aannemen.
Wat eindelijk het oog aangaat, daarvan is ter gelegen-