Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 336 —
leclenialcn bij uilneuiendlieid geschikt zijn, behalve dat dé
lengte der vingers, en de omstandigheid dat de duim te-
gen eiken vinger overgesteld kan worden, tot het volledig
betasten van eenig voorwerp ons menschen zoo bijzonder
in staat stelt. In dat opzigt zijn de dieren nog des te min-
der bevoorregt, naar mate de kortere vingers, bij mindere
buigzaamheid bovendien, meer door nagels bedekt en om-
geven zijn, waardoor hun tastzin bij den onzen ver achter-
staat. De olifant bedient jich van het uiteinde van zijn'
snuit als van eene hand, waarmede het ook wel eenige over-
eenkomst heeft. Andere dieren behelpen zich met hunne
tong, nog andere eindelijk zijn lot hetzelfde einde met
sprieten, voelerljes en dergelijke toegerust.
Het zintuig van den smaak is voornamelijk de tong. Het
slijmvlies, 't welk de menschelijke tong bedekt, is zijne
ruwe oppervlakle verschuldigd aan eene menigte tepeltjes,
voor het grooter deel van eene kegelvormige gedaante.
Deze bevallen de einddraden der tongzenuw, die eene ver-
takking der onderkaaksvertakking van het vijfde zenuwpaar
is. Als men die zenuw bij een levend dier doorsnijdt, dan
kan het met de tong geen onderscheid meer proeven. Alle
zoogdieren hebben ten naasten bij een zelfde zamenstel van
long met elkander gemeen. De long der vogels is ge-
woonlijk kraakbeenig, en niet van zenuwtepeltjes voorzien;
aan een' fijnen smaak ontbreekt het hun dan ook. De vis-
schen hebben mede, naar men aannemen mag, weinig of
geen' smaak-, zij zijn dan ook gewoon hunne prooi schielijk
in le zwelgen. Bij de lagere diersoorten kan men in 't ge-
heel geen afzonderlijk zintuig voor den smaak ontdekken.
Door den neus rieken wij, en wij niet alleen, maar ook
de zoogdieren in 't gemeen, benevens de vogels en krui-
pende dieren. Al die wezens hebben neusholten, die van
voren door gaten met de buitenlucht, en van achteren met
den mond gemeenschap hebben. Het slijmvliezig bekleedsel
dier neushoilen houdt de rieksloffen in de lucht op haren
logt naar de longen gedeeltelijk aan, welk bekleedsel in
grooten gelale de uileinden van draden bevat, afkomstig
van hel eerste en vijfde zenuwpaar. In fijnheid van reuk
wordt de mensch door vele dieren overtroffen, vooral door