Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 315 —
dier proefneming van stonden aan blind. Dit leidt ons
als van zelf lot eene korte beschouwing der onderscheiden
zintuigen.
Hel uitwendig werktuig van den tastzin is de huid, en
bij uitnemendheid zijn hel de vingertoppen bij den mensch.
Maar, zal men zeggen, hoe voelt men dan eene beleediging
in hel inwendige van 't ligchaam, dat immers in het vel
als in een' zak besloten is? Dit schijnt zoo; een weinig oplet-
tendheid zal ons echter leeren,, dat de eigenlijke huid zich
niet enkel lot het uitwendige bepaalt, maar op vele plaatsen
naar binnen gaat, en de hollen, die het ligchaam bevat,
onder den naam van slijmvliezen, bekleedt. Immers, om
alleen een paar voorbeelden aan te halen, is niet het vlies,
dal het verhemelte tol voering verstrekt, eene voortzetting
van hetgeen de lippen bedekt? Liggen de nagels niet blijk-
baar in eene plooi van de naar binnen gevouwen huid?
Het ruwer voorkomen van hetgeen men vel pleegt le noe-
inen, moet toegeschreven worden aan eene soort van half
doorschijnend, hard geworden vernis, dat als opperhuid
over de eigenlijke huid heenligt. Die opperhuid laat voor
een klein gedeelte los bij een' zoogenoemden dwangnagel;
zij wijkt en zet zich op bij het trekken van eene blaar.
Meest overal is zij zeer dun, doch onder de voetzolen
en in 'l gemeen waar maar een aanhoudend drukken en
schrijnen de uilscheiding der opperhuid uit de eigenlijke
huid bijzonder bevordert, kan zij eene aanmerkelijke
dikte en taaiheid erlangen, in welk geval wij er de be-
naming van eelt aan geven. Sommige dieren, de slan-
gen bijv., ontdoen zich op gezette tijden van hunne op-
perhuid, die dan dikwijls in haar geheel als eene scheede
afvalt. Hel afknippen van een' dwangnagel of van het
vliesje van eene blaar doet geen pijn; maar prikt of snijdt
men in de eigenlijke huid, dal voelt men ter dege. En
vanwaar? Omdat deze, gelijk een vergrootglas ons laat
waarnemen, eene menigte roodachtige kleine verhevenhe-
den of lepeltjes bevat, waarbinnen zich waaijerswijze de uil-
einden van zenuwdraden uilbreiden. In grooter aantal dan
elders, komen die tepeltjes voor aan de vingertoppen onzer
handen, waardoor voor den eigenlijk gezegden tastzin die