Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
311 —
naar het hart terug, dat dus niet dan gezuiverd of slag-
aderlijk bloed bevat. Bij de visschen is het anders gesteld'
daar keert het bloed verontreinigd naar het hart terug, het
wordt vervolgens, uit hetzelve onmiddellijk naar de kieu-
wen gestuwd en loopt, na zuivering door de luclit, verder;
daarom noemt men het visschenhart een aderlijk hart.
Vogels, zoogdieren en ook wij menschen hebben een
tweeledig hart, waarvan Fig. 106 een denkbeeld geven kan.
Fig. 106. Zulk een hart heeft twee door eene
g soort van middelschot gescheidene
holten. Elke van beiden bevat weêr
,.</ eene hartkamer en een' hartboezem.
Het aderlijk bloed stroomt uit de
hoofdaderen A en A' den regter-hart-
boezem r binnen, dringt vervolgens in
de regter-hartkamer R, en wordt door
de long-slagader ,v naar de longen ge-
stuwd, waar de aanraking met de lucht
het in gezuiverd of slagaderlijk bloed
doet verkeeren. in dien toestand
neemt de linker-hartboezem / het op,
van waar het in de linker-hartkamer L geraakt, die het door
de hoofd-slagader S met kracht naar de verschillende deelen
des ligchaams perst. Deze laatste omloop wordt de groote
bloedsomloop, de uitstap dien het bloed uit het hart naar
de longen maakt, de kleine bloedsomloop geheeten.
De longen der vogels zijn van geringen omvang, maar
hebben daarentegen gemeenschap met bijzondere holten,
door geheel het ligchaam verspreid, die zich bij het inade-
men ook met lucht vullen, waardoor de toegang der damp-
kringslucht in het inwendige zeer bevorderd wordt, en
't geen nog daarenboven het voordeel heeft, dat, bij ver-
dunning der lucht in die holten, de vogels ligter worden
en des te gemakkelijker zich zwevende kunnen houden.
Ook de kruipende dieren, krokodillen, slangen, kikvor-
schen, enz., ademen door longen. Doch de beide hartka-
mers zijn bij die dieren niet gescheiden, zoodat het aderlijk
bloed maar voor een gedeelte naar de longen heenvloeit, en
voor een derde slechts gezuiverd zijn' omloop vervolgt