Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ki
— 310 —
leiden, heelen slagaderen, ter onderscheiding van eene an-
dere soort van vaten, die het hloed naar het hart terug-
voeren, en die men aderen noemt. Aan de uiterste opper-
vlakten gaan de slagaderen, die al naauwer en naauwer
vertakt zijn geworden, eindelijk in zoogenoemde haarvaten
over, welke vervolgens zich weèr zamenvoegen tot al wijder
en wijder vaten, en dit zijn dan de aderen. Het hart der
weekdieren, waartoe de oesters behooren, en dat der vis-
schen bestaat uit eene hartkamer en uit eene soort van
voorhof, harthoezem geheeten, welke laatste door een klap-
vlies met de eerste gemeenschap heeft. De kleinere ruimte,
de harthoezem, neemt het bloed op, dat de hoofdader of ade-
ren daarin uitstorten, 'twelk vervolgens in de grootere holte,
de hartkamer, overgaat, om van daar, door eene zamen-
trekking van het hart, de hoofdslagader ingeperst te wor-
den. Het is klaar, dat dit niet kan geschieden, ten zij de
bestaande gemeenschap tusschen harthoezem en hartkamer
van zulk een' aard is, dat het bloed alleen uit de eerste in
de tweede ruimte, en niet terug, zich kan bewegen.
Maar het bloed, dat zijn' weg door het ligchaam vol-
bragt heeft, dient vóórdat het op nieuws zijn' togl on-
derneemt, gezuiverd le worden; welke bloedzuivering in
eene aanraking met lucht bestaat, en bij verschillende dier-
soorten op verschillende wijze plaats vindt. Het inzuigen
van de lucht uit den dampkring, of van de lucht die in
het water, bijaldien dit het dier omgeeft, verval is, noemt
men in 't algemeen ademhalen.
De ademhalingswerktuigen der gekorvene diertjes zijn
hunne luchtbuizen. Deze liggen in groote menigte in de
lengte van het ligchaam, hebben veelvuldige vertakkingen,
en eindigen aan weerskanten in zoogenoemde luchtgaten,
die aan de oppervlakte uitkomen; zoodat er bij die diertjes
overvloedige gelegenheid bestaat om luchl op te nemen.
Ook de insecten, die in het water leven, hebben behoefte
aan de vrije dampkringslucht, waarom ze van tijd tol tijd
bovenkomen, ten einde lucht te scheppen.
Weekdieren zoowel als visschen ademen Aoor kieuwplaten.
Maar bij de weekdieren stroomt het bloed eerst door het
ligchaam, wordt daarna gezuiverd en keert dan terstond