Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 30« -
en dat zooveel te meer, naar mate hare natuur meer ver-
schilt van die der wezens, in wier ligchamen zij voor een
deel moeten overgaan. Hieruit laat zich reeds dadelijk he-
grijpen, dat bij den mensch bijv. vleeschspijzen minder ver-
andering behoeven te ondergaan dan plantaardig voedsel.
Laat ons thans onderzoeken, waarin de spijsvertering bij den
mensch en bij deze en gene dieren bestaat.
Zoodra de spijs den mond ingekomen is, ondergaat zij
daar meestal eene aanvankelijke bewerking-, zij wordt fijn-
gemaakt en met speeksel tot eene soort van brij of pap
vermengd. Daartoe dienen ons de tanden en kiezen: de
onderkaak beweegt zich op en neêr tegen de bovenkaak
aan, maar heeft bovendien nog eene zijdelingsche heen- en
wedergaande beweging, waardoor wij niet alleen vermogen
te kaatiwen, maar ook de spijzen kunnen vermalen, het-
geen de verscheurende dieren niet noodig hebben te doen,
daar zij in 't geheel niet van planten leven; de paarden
daarentegen, runderen en grasvretende dieren in 't gemeen
des te meer, waartoe hunne kiezen zelve bepaald inge-
rigt zijn. De tong, die bijna geheel uit spierweefsel be-
staat, bewijst hierbij niet enkel belangrijke dienst, maar is
verder bij het slikken ten zeerste behulpzaam. Men heeft
er welligt nooit op gelet, hoe men te dien einde hare spits
tegen het verhemelte aanklemt. Dat geschiedt vooreerst,
om met te meer kracht de vermalen brokken den slokdarm
in te duwen, maar ten andere ook,
om tegelijk het strottenhoofd of
den ingang der luchtpijp, die daar
achter en vlak vóór den slokdarm
gelegen is, af te sluiten, opdat wij
ons niet verslikken. Door den slok-
darm daalt nu het voedsel af naar
de maag, om aldaar eene tweede be-
werking tot zoogenaamd chym te
ondergaan.
De maag A (zie Fig. 105) is een
ruime vliezige zak, die dwars in de
bovenruimte der buikholte gele-
gen is, en welker gedaante bij den