Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 304 -
onder vier bepaalde vormen voor, te weten: als zenuwen,
zenuwknoopen of 'vlechten, als ruggestreng en hersenen.
Een derde weefsel, dat wij te vernielden hebben, is het
spierweefsel; 't is hetgeen wij in 't dagelijksch leven ge-
woon zijn vleesch te noemen. Ook dit bestaat uit fijne ve-
zeldraden, maar die evenwijdig tegen elkander aanliggen,
en, 't zij in bundels vereenigd, eigenlijk gezegde spieren,
ofwel, bladswijze zamengevoegd, zoogenaamde spierrokken
vormen. Het onderscheidend karakter van dit weefsel is
het vermogen dat het bezit, om zich in hooge mate zamen
te trekken. Alle willekeurige beweging geschiedt dan ook
met behulp van hetzelve.
Onder de menigvuldige vochten in het dierlijk ligchaam
aanwezig, is er een dat boven alle andere onze aandacht
verdient, namelijk het bloed. Het is bestemd, om in zijne
geregelde beweging overal voeding en hernieuwing aan te
brengen. Terwijl de planten haren wasdom voornamelijk
verschuldigd zijn aan de lucht die ze omringt, leven de
dieren vooral van de spijzen die zij innemen, en dient het
bloed om de voedende bestanddeelen daarvan door geheel
het ligchaam heen te brengen. Uit dat eene vocht toch ne-
men beenderen, zenuwen, spieren, huid, en wat niet al,
het noodige op, om in jeugdigen leeftijd gedurig aan stof-
deelen toe te nemen en daardoor grooter te worden, en la-
ter de verliezen, die zij gestadig lijden, althans te ver-
goeden. Van al de wonderen, die de beschouwing der
natuur ons leert opmerken, is voorzeker de zamenstelling
van het bloed en zijne omzetting in zoo veelsoortige stof-
fen en organen geen van de minste. Men meende vroeger,
dat de roode kleur er eene kenmerkende eigenschap van
was, doch van die meening is men teruggekomen. Ofschoon
toch de rups een groenachtig, het volkomen insect een
doorschijnend, de oester een blaauwachtig wit, de kikvorsch
in de meer inwendige vaten een geel bloed heeft, men
geeft het dien naam mét evenveel regt als aan het roode
bloed van den mensch bijv., daar het in meer wezenlijke
eigenschappen zeer daarmede overeenkomt. Die roode kleur
is afkomstig van de zoogenoemde bloedligchaampjes, die er
in worden waargenomen, en die men met behulp van een