Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 301 —
of, gelijk wij zagen, op den stam van een ander gewas, of
zij drijft op de oppervlakte van 't water, en bevindt zich
alzoo ter plaatse waar haar het noodige voedsel gewordt,
zonder dat van hare zijde eenige de minste moeite of toeleg
gevorderd wordt. Mögt dit voedsel haar maar karig te beurt
vallen, zij is buiten staat zich het ontbrekende te verschaf-
fen, waartoe haar de middelen niet verleend zijn. Geheel
anders is het met de dieren gesteld. De meeste kunnen
zich verplaatsen-, alle vermogen zelve in hunne levensbe-
hoeften te voorzien. Er zijn er wel die aan eene vaste
plaats gebonden zijn, welke zij niet kunnen verlaten-, even-
wel bewegen zij zich, om hunne prooi te grijpen en te ver-
slinden. Opent en sluit bijv. de oester hare schelp niet
willekeurig, ofschoon zij zich van de bank waarop deze
vastgehecht is, niet kan losmaken? Strekt de zoetwater-
polyp, al heeft zij ook het voorkomen van een plantje, en
al schijnt zij, gelijk dit, vastgeworteld aan de plek waarop
zij zich bevindt, strekt zij hare draadvormige armen niet
uit, om de kleine diertjes, waarmede zij zich voedt, magtig
te worden? Zeker, hoe minder ontwikkelde soorten van
dieren en planten men met elkander vergelijkt, des te meer
overeenkomst, des te minder verschil ontdekt men. Zóó
in 't oog vallend is echter het groote onderscheid, dat er
tusschen plant en dier op hoogeren trap van ontwikkeling
bestaat, dat het niet wel mogelijk is, beiden op e'éne lijn
te stellen.
Het uitwendig voorkomen reeds der hoogere diersoorten
stelt ons genoegzaam in staat, om ze terstond van planten te
onderkennen. Wij willen aanvankelijk eens nagaan, waarin
de meeste dieren naar het uiterlijk met elkander over-
eenkomen.
Meest alle hebben zij een hoofd of kop, de voorname
zitplaats der zintuigen, waarin wij eene mondopening aan-
treffen, bestemd om het voedsel le ontvangen, 't welk,
nadat het lot onderhoud des ligchaams verstrekt en zijne
voedende deelen afgegeven heeft, scheikundig veranderd,
langs bijzondere wegen geloosd wordt. Bij de oneindige
verscheidenheid, die in 't geschapene heerscht, kent men
wel is waar enkele dieren die sommige zintuigen missen.