Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 299 —
zijn, w^lke wij eitjes noemen. Na de Lloeijing nu zien
wij dat vruchtbeginsel, gelijk boven gezegd is, geheel van
uitwendig voorkomen veranderen, waarvan de velerlei be-
kende vormen van vruchten kunnen getuigen. Maar dit
is de eenige en voorname verandering niet die het on-
O O
dergaat: gemelde eitjes zijn zaden geworden-, zij bevatten
de kiem eener nieuwe plant, en ziedaar het groote doel der
bloemvorming bereikt. Als men gedurende het bloeijen
eener plant de helmknopjes der bloemen afplukt, vóórdat
zij hun stuifmeel uitgestort hebben, zoo blijven de zaden
achterwege; er ontstaan geen nieuwe plantjes in de bewuste
eitjes. Neemt men daarentegen de helmknopjes eerst weg
nadat zij zich van hun stuifmeel ontdaan hebben, dan heeft
zulks geen' invloed op de verdere ontwikkeling van het
vruchtbeginsel. Wij zijn derhalve geregtigd, tusschen het
stuifmeel en de vorming der zaden een naauw verband, als
die van oorzaak en gevolg, aan te nemen. En inderdaad,
zorgvuldige waarneming overtuigt ons, dat de stuifmeel-
korreltjes op de stempels van het stampertje of van de stam-
pertjes, zoo er meer zijn, vallen, tot dunne buisjes verlengd
door den stijl heen in het inwendige van 't vruchtbeginsel
dringen, en tot zelfs voor een deel in de holte der eitjes,
waar ze dan den grondslag der nieuwe planten uitmaken.
De tuinbouw trekt van deze kennis partij, met het stuif-
meel van de eene plant in de bloem eener andere te strooijen,
waardoor uit de aldus verkregen zaden zoogenoemde bas-
taardplanten ontstaan, die in hare gedaante iets hebben
overgenomen van den vorm dier planten, waaraan het stuif-
meel ontnomen werd. Zoo loont natuur des menschen
ijverig en aandachtig onderzoek, met den geheimzinnigen
tooverstaf te zijner beschikking te stellen, die jaar op jaar
zulk eene oneindige verscheidenheid van bloemen en vruch-
ten in 't leven roept.