Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
295 —
VJI.
Leven cn Sterven van Planten.
Als wij (le opmerkingen omtrent den Louw der planten,
de beweging harer sappen, enz. overzien en met elkander
in verband brengen, zal ons de voorstelling duidelijker
worden, die wij ons van den groei der plant te maken heb-
ben. We zagen dat de worteluiteinden sappen uit den
grond opnemen-, dat die sappen van cel tot cel of door de
vaten in het binnenste van wortel en stengel omhoog stij-
gen-, dat zij door takken en bladstelen tot in de bladeren
voortgaan, aldaar in aanraking komen met de lucht die in
hun zamenstel eene verandering te weeg brengt, waarna
ze vervolgens in de buitenste deelen naar beneden dalen;
dat eindelijk uit die sappen de vaste stof zich aanzet, die
de plant in lengte zoowel als in omvang doet toenemen.
De verschijnselen derhalve, waarop het bij den plantengroei
voornamelijk aankomt, zijn de beweging van sappen door
de geheele plant en de gestadige vorming van nieuwe vaste
deelen.
Maar is het door naauwkeurige waarneming mogelijk ge-
weest, die verschijnselen van meer nabij te leeren kennen,
met de oorzaak daarvan is zulks het geval niet. Vragen
wij naar de oorzaak die eene plant doet groeijen, dan moe-
ten we op die vraag onze onkunde belijden. Wij weten dat
de plantenwasdom in 't voorjaar aanvangt, en in dat jaar-
getijde bet sterkst voortgaat, dat hij bij vele planten in 't
geheel maar eenige maanden duurt en dan geheel ophoudt;
dat bij andere gedurende den winter de vermeerdering in
grootte en omvang stilstaat, ofschoon de beweging van sap-
pen, langzamer evenwel, blijft aanhouden, om in een volgend
voorjaar met vernieuwde kracht aan te wakkeren, en eerst
op 't laatst van den tweeden zomer te eindigen; terwijl
bij nog andere hetzelfde ontwaken uit den winterslaap in
de lente van het derde en vele volgende jaren zich her-
haalt, 't geen aanleiding gaf tot de onderscheiding in een-
en tweejarige en overblijvende gewassen. Uit dat alles
blijkt duidelijk, dat warmte voor den plantengroei een ver-