Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 290 —
maar is in het glas zuiver water, in de buis eene vloeistof
van grootere digtheid, suiker- of gomwater bijv., dan merkt
men weldra eene uitwisseling van vochten. Er heeft te
gelijker tijd een wederzijdsch doordringen van het vlies
plaats. Zuiver water dringt naar binnen, terwijl er van de
suiker- of gomoplossing naar buiten geraakt. De eerstge-
melde werking wint het echter van de laatste, zoodat het
vocht in de buis klimt en klimmende blijft, totdat beide vloei-
stoffen binnen en buiten het vlies eene gelijke gehalte van
suiker, gom of wat het zijn mag, verkregen hebben. Zulk
een wederzijdsch doorlaten van vochten neemt men nu ook
aan van de wanden der cellen in de planten. En dat met
eenig regt. De cellen toch bevatten een eigen sap, en daar
buiten in den grond is water, dat naar mate van den bo-
dem verschillende stoffen opgelost houdt. Onderstelt men
nu dat die oplossing minder digtheid heeft dan het cellen-
sap, dan moet er meer indringen dan uitgaan.
Hiermede vervalt ook eene zwarigheid, die zich onver-
mijdelijk opdoet en die zich niet uit den weg laat ruimen,
als men in de opstijging der plantensappen enkel haarbuis-
jeswerking zien wil. Immers het vocht klimt in zulke buis-
jes altijd maar tot eene bepaalde hoogte, op zijn meest van
eenige duimen; terwijl het sap in de planten tot in de bo-
venste kruin zich verheft, dus bij vele boomen eene hoogle
van honderde voeten bereikt.
Heeft eene cel vocht uit den grond opgenomen, dan zal
ze daarvan aan de boven haar geplaatste cellen afgeven,
juist om dezelfde reden waarom zij hetzelve opnam, daar
er immers nu in belendende cellen vocht van onderscheiden
aard is, en zoo klimt de vloeistof van cel tot cel. Ook de
vaten zullen er derhalve mede gevuld worden, en eenmaal
gevuld, wegens hunne naauwte aan de verdere opstijging
zeer bevorderlijk zijn. Dit blijkt, als wij in het voorjaar een'
tak doorsnijden; wij zien het vocht dan voornamelijk uit
die houtlaag die zich pas gevormd heeft, uit het zooge-
noemde spint, te voorschijn komen, het oudere hout daar-
entegen, dat reeds harder geworden is, vindt men niet met
sap gevuld. Nog wordt het opstijgen der sappen in groote
male bespoedigd door de knoppen en bladeren boven aan