Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 289 —
Wij noemden het overgaan van het vocht uit den grond
in den wortel een opzuigen. Minder juist evenwel is deze
benaming, als wij aan het woord zuigen de eigen beteeke-
nis blijven toekennen, die wij er vroeger, zie bl. 113, aan
hebben gegeven. Wij zagen toen, dat zuigen eigenlijk be-
staat in eene luclitverdunning, die het inpersen van vocht
ten gevolge heeft. Bij planten heeft zoo iets blijkbaar geen
plaats. Wij willen daarom liever van een opnemen van
het voedingsvocht door de plant spreken. Doch hoe heb-
ben wij ons die opneming dan voor te stellen?
Herinneren wij ons, dat in de plant vele kanalen of buis-
jes zijn, die door wortel, stam, takken, stelen en blad-aderen
heen loopen, en zijn wij tevens indachtig, dat, als een naauw
buisje met zijn ondereinde in een vocht geplaatst wordt,
dit daarin oprijst, zie bl. 42, zoo komen beide verschijn-
selen ons van gelijken aard voor, en wij zijn genegen ze
aan eene zelfde oorzaak toe te schrijven. Die voorstelling
heeft oppervlakkig veel aannemelijks; zij is intusschen ge-
bleken hier ver van voldoende te zijn. Een naauwkeurig
onderzoek toch van den plantenwortel leert ons, dat men
daaraan te vergeefs uitmondingen van vaten zoekt; de op-
perhuid der plant, voor zoover die zich onder den grond
bevindt, heeft in 't geheel geen openingen; de wortel-uit-
einden bestaan uit cellen, dus uit besloten ruimten, die
tegen elkander aan liggen, en tusschen wier wanden dik-
wijls geen holten overblijven. Iets anders is het met den
afgesneden' tak, die in 't waler gezet is, en waar de ope-
ningen der doorgesneden vaten inderdaad regtstreeks met
Fig. 104. het vocht in aanraking komen. Wat bij den wor-
tel plaats vindt, wordt daarentegen duidelijk door
de navolgende proef. Men neme eene glazen aan
weêrskanten opene buis (Fig. 104), hinde om
het eene einde in den vorm van een' zak een
stuk van eene blaas of van een ander vliesachtig
weefsel uit het planten- of dierenrijk. Nu vuile
men de buis tot eene zekere hoogte met een
vocht en plaatse haar voorts regtstandig in een
glas, dat ook met vocht gevuld is. Zijn beide
vochten van denzelfden aard, dan gebeurt er niets;
19