Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 287 -
zich eerst voor als kleine wratvormige, uit cellen bestaande
deelen-, later ontstaan de aderen, en neemt het blad zijne
gedaante aan. In de knoppen bevinden zich doorgaans
reeds zulke meer gevorderde bladeren op eene sierlijke wijze
geplooid en gevouwen, die zich van lieverlede ontrollen en
meer en meer zigtbaar worden. Maakt men eenige teekens
op het jonge blad, van den bladsteel af tot aan de punt,
en meet men de afstanden dier teekens van tijd tot tijd,
zoo lang het groeijen nog voortduurt, zoo neemt men waar,
dat daaraan geene verandering komt in de nabijheid der
punt, dat daarentegen die afstanden grooter worden nabij
den steel. liet is dus door aanzetting van vaste stofdeelen
aan den voet van het blad, dat het in lengte toeneemt,
zoodat hier de groei verschilt bij dien van den stam zoowel
als van den worlel. Spoedig bereikt het blad zijne einde-
lijke grootte; doch het is ook maar voor een korten levens-
duur bestemd, zie boven bl. 27G; immers tegen het najaar
verliest het allengs zijne groene kleur, wordt geel of bruin-
achtig, sonis rood, geen men zijne hcrfstverkleuring
noemt, en eindigt met van den tak gescheiden en als een
dood ligchaam afgeworpen te worden.
V.
Plantensappen en luinne beweging.
Wij hebben gezien, waar zich de nieuwe stof bij het
groeijen achtereenvolgens aanzet. Het is nu de vraag, van
waar die stof, en langs welke wegen geraakt zij ter plaatse
die zij inneemt? Wederom is het.de dagelijksche ervaring
die hier geraadpleegd dient te worden, Eene naauwkeu-
rige kennismaking met den bouw der plant en met de ver-
anderingen die zij in haren groei ondergaat, kan daarover
eenig licht verspreiden.
De meeste planten, zullen ze groeijen, moeten 't zij in
aarde of in water geplaatst worden, terwijl in 't eerste ge-
val de aarde vochtig dient te zijn. ïlangen we toch eene
plant in eene drooge lucht op, zoo groeit ze niet, maar zai
ras verwelken. Wij besluiten hieruit dat haar uit de aarde
of uit het water, willigt uit heiden te zamen, het noodige