Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 306 -
eene soort van eikenboomen heeft zelfs aan dat verschijnsel
haren naam ontleend. Het aldus ontstaan van nieuwe lagen
heeft vooral in het voorjaar en in den zomer plaats, en houdt
op in het najaar, om eerst tegen het volgende voorjaar van
nieuws te beginnen. De gevormde laag ondergaat intus-
schen in den loop des winters langzamerhand zooveel ver-
andering, dat ze later duidelijk te onderkennen is van de
nieuwe die in een volgend jaar ontstaat. Vermits nu elk
jaar zulk eene laag voortbrengt, levert het aantal lagen of
jaarkringen blijkbaar den juisten maatstaf op van den ouder-
dom des booms, ja wat meer is, de leeftijd van tak en takjes
laat zich ook daaruit afleiden.
Dat het aanzetten van nieuwe lagen hout en schors in-
derdaad zoo geschiedt als wij vermeldden, kan men buiten
allen twijfel stellen indien men in den stam van een' boom
eene insnijding maakt, die, door schors en bast heen-
gaande, tot in de houtlaag dringt, en dan een aantal
jaren later onderzoekt, wat er van die insnijding gewor-
den zij. Als men den stam dan dwars doorzaagt, bevindt
men, dat er zich in dien tusschentijd om de ingesneden
houtlaag heen een aantal nieuwe en gave houtringen ge-
vormd hebben, en tusschen de insnijding van de schors en
die van het hout telt men dan juist zooveel ringen, ais
er sedert jaren verloopen waren.
De takken ontspruiten steeds uit de oksels der bladeren, of
althans, indien deze reeds mogten afgevallen zijn, even bo-
ven de plaats hunner inhechting. Het eerste beginsel van
een' lak noemt men knop; het heeft een kogel- ofwel ke-
gelvormig voorkomen, en is in de koudere gewesten bedekt
met schubjes, knopschubben geheeten, die, digt over elkan-
der liggende, soms ook met haren bekleed, of van harj-
achtige stoffen doortrokken, gelijk men aan de paarden-
kastanje zien kan, het jeugdig deel gedurende den winter
beschermen. In het voorjaar holten de knoppen uit, en
lak en IJaderen komen te voorschijn. Bij sommige hoornen
ontwikkelen zich nog in den nazomer knoppen, die in het-
zelfde jaargetijde eerst gevormd zijn; dat noemt men het
St. Jansschot.
Wat nu het ontluiken der bladeren betreft, deze doen