Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 283 —
Wiel bij de stengels van alle planten vindt men de bier
opgegeven bestanddeelen in dezelfde rangschikking. Soms
is er geen verschil waar te nemen tusschen hel inwendige
van schors, bast, hout en merg-, men ziel geen jaarkringen,
geen mergstralen; het merg ligt als 't ware verspreid lus-
schen de vaatbundels, en het binnenste gedeelte is minder
vast dan het buitenste. Eindelijk zijn er plantén van een
nog veel eenvoudiger zamenstel, waar alles enkel uit cellen
bestaat, zoo als paddestoelen, mossen en dergelijke, die men
daarom celleplanten noemt, terwijl de overige meer ge-
wone gewassen — boomen, heesiers, kruiden — vaatplan-
ten heeten.
Snijdt men een' wortel door, hetzij overdwars of in de
lengte, zoo vindt men daarin eene soortgelijke zamenstel-
ling als in den stengel, vaatbundels namelijk en cellen,
jaarkringen als het boomen of overblijvende planten zijn;
merg en mergstralen ontbreken echter gewoonlijk, en er
vormen zich ook geen knoppen aan de wortels, zoo als aan
den stam en de lakken.
Het zamenstel der bladstelen is gelijk aan dal van den
stengel, sommige van welks valen door die stelen in de
bladeren overgaan en daarin de nerven of aderen vormen,
terwijl de tusschenruimten tusschen die aderen alleen door
cellen ingenomen worden (zie bl. 277).
Het blad is geheel overtrokken met een dun vlies, de
opperhuid, waarin kleine openingen of mondjes aanwezig
zijn, die maken dat het inwendige met de buitenlucht ge-
meenschap heeft. Bij bladeren van waterplanten die onder
water groeijen, onlbreekl die opperhuid, en men vindt
dikwerf in het blad in 't geheel geen aderen, dus geen
valen, maar enkel cellen; zie Fig. 102, die een gedeelte
van zulk
voorstelt.
een blad in doorsnede
IV.
Wasdom der Plant.
Nu wij de hoofddeelen der planten in 't gemeen cn haar
inwendig maaksel hebben nagegaaji, willen wij de vraag