Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 280 —
in den grond wortelen, en zich voor 't overige groolen-
deels in het water Levinden. Andere daarentegen drij-
ven in het water met wortel en al, gelijk het kroos in onze
vijvers en sloten, dat daarom Lij uitmaling van polders zoo
ligtelijk zich verplaatst.
De zoogenaamde woekerplanten, die op andere planten
of op rotsen groeijen, worden weder in ware en onei-
genlijke woekerplanten verdeeld. De ware trekken voedsel
uit de oppervlakte waarop zij zich gevestigd heLLen, als
daar is de vogellijmplant, die zich op de stammen van appel-
en perenboomen vooral ontwikkelt, indien men eene der
witte Lessen die zij voortLrengt, maar op zulk een' Loom
lijn wrijft; verder de Lremraap, die op de wortels der Lrem
en andere gewassen zich zetelt, enz. Oneigenlijke woe-
kerplanten zijn Lijv. alle korstmossen, die op de schors der
Loomen, en andere mossen, die op steenen en rotsen zich
aanzetten, zonder daaraan voedsel te ontleenen.
Eindelijk onderscheidt men de planten naar de lucht-
streek waar ze oorspronkelijk te huis Lehooren. Die van de
heete luchtstreek zijn aanmerkelijk verschillend van die der
gematigde, en nog meer van die der koude luchtstreek. De
keerkringslanden bevatten de meeste boomsoorten en hees-
ters in verhouding tot het aantal kruiden en een- of twee-
jarige planten. Over 't geheel kenmerkt de plantengroei
zich aldaar door eene overgroote weelderigheid en door
een' rijkdom en trotschheid van vormen, waarvan wij ons
hier naauwelijks eenig denkbeeld kunnen maken.
111.
Zamenstel der Planten.
Om het eigenaardige der planten te leeren kennen, is
het niet voldoende hare deelen enkel uitwendig te beschou-
wen; wij dienen ook onderzoek te doen naar haar inwendig
zamenstel.
Als wij te dien einde een' steng^ van een' struik of van
een jong boomtak je dat in 't eerste jaar van zijn' groei
is, nemen en dat overdwars doorsnijden, vertoont zich
die doorsnede bij de meestë planten, zoo als in Fig. 9!)