Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 279 —
waar, die betrekkelijk eene zoo geringe hoogle en omvang
hebben! Wat lange halmen hebben niet de grasplanten in
verhouding tot hare bloemen! Hoe nietige bloemen, die
ter naauwer nood opgemerkt worden, draagt de wijnstok niet,
in vergelijking met de zware vruchten, 't geen in nog veel
grooter mate geldt van de zoogenaamde watermeloenen,
wier bladeren daarenboven, even als die van het hoefblad,
zoo bijzonder groot zijn.
De snelheid ook van den groei is zeer verschillend. Er
zijn gewassen die somtijds in 24 uren lijds meer dan 2 pal-
men in hoogle toenemen-, men denke alleen aan de hon-
derdjarige aloë. Sommige paddestoelen bereiken hunne
volle grootte van "1, 2 ja 3 palmen middellijn binnen twee
of drie dagen.
Wijders verschillen de planten soms aanmerkelijk in duur;
weshalve men ze verdeelt in eenjarige, tweejarige en over-
blijvende planten. De eerste volbrengen haren geheelen
wasdom in een enkel jaar, of eigenlijk in eenige maanden,
want in den wintertijd staat de plantengroei stil. Dat is
bijv. het geval met salade, Ooslindische kers, bitterkers,
boekweit, tuinkervel,gewoon vlas, enz. De tweede ontsprui-
ten uit het zaad in 't voorjaar van het eerste jaar; zij be-
reiken in den loop van zomer en herfst eene tamelijke grootte,
staan dan gedurende den winter stil, gaan in het tweede
voorjaar met groeijen voort, ontwikkelen nieuwe bladeren,
bloeijen en dragen vruchten, maar sterven nu in hel tweede ■
najaar. Onder de zoodanige komen voor het vingerhoeds-
kruid, het winterraapzaad, de gemeene klis, enz. Over-
blijvende planten noemt men die, welke langer dan twee
jaren leven; bij deze is de opvolgende groei in elk nieuw
jaar eene herhaling van dien van het vorige. Hiertoe be-
hooren al de zoogenaamde vaste planten, welker boven den
grond zigtbare deelen jaarlijks afsterven, om telkens weêr
door nieuwe te worden vervangen, benevens alle heesters
en boomen.
Nog bestaat er tusschen planten en planten een voor-
naam verschil, naar gelang zij op het land of in het water
of elders groeijen. De waterplanten zijn wederom tweeder-
lei. Er zijn er, zoo als de gelè en wille plompen bijv., die