Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
272 _
aarde, of teel-aarde gemengd met zand; maar als men die-
per in wil graven, stuit men spoedig op vasten steen, die
niet met de spade doorgestoken kan worden, waarbij dus
de bijl te pas komt. Die steen toch vertoont zich ook niet
aan brokken, zoo als de steenen, die ten onzent in den
zandgrond menigvuldig voorkomen, maar het is eene za-
menhangende vaste stof, die den geheelen ondergrond uit-
maakt, en die eerst door magt van mokerslagen in stukken
verdeeld wordt, als men er gebruik van wil maken tot het
bouwen van huizen of bruggen, of om er straten meê te
plaveijen. Even als de steenen, die in Nederland gevon-
den worden, van verschillenden aard zijn, treft men ook
velerlei steenlagen in verschillende gronden aan, en in den-
zelfden grond op onderscheidene diepten. Sommige van
die steensoorten worden ook in ons land veelvuldig inge-
voerd; daartoe behooren het marmer, dat tot bevloering van
de gangen der huizen en tot schoorsteenmantels gebruikt
wordt; de hardsteen, waarvan kolommen, stoepzerken,
paaltjes, enz. gemaakt worden; de Bentheimer- of Bremer-
steen, ook zandsteen genoemd, die insgelijks bij het bouwen
van huizen wordt gebezigd; verder de leisteen, waarmede
daken gedekt worden, en waarvan dunne platen dienen om
er met griffels op te schrijven; ook de steen, die in de ko-
ren- en oliemolens als molensteen gebruikt wordt, en de
zoogenaamde duifsteen, die, fijngemalen, onder den naam
van Dordsche tras, als metselspecie gebezigd wordt.
Hardsteen en marmer zijn steensoorten van gelijken aard,
ofschoon ze al in kleur verschillen. Ze behooren beiden tot
die soort van steenen, waaraan wij den naam van kalksteen
gegeven hebben; wanneer men er azijn op giet, ziet men
uit beiden eene luchtsoort, koolzuur namelijk, te voorschijn
komen; beiden veranderen, wanneer ze in een' oven sterk
verhit en dus gebrand worden, in gebranden kalk. Breekt
men ze door, dan blijkt het, dat ze uit eene menigte on-
derscheidbare deeltjes bestaan, die aan elkander verbonden
zijn. Vele van die deeltjes, vooral van het marmer, zijn
eenigzins regelmatig van vorm en plat van oppervlak; houdt
men ze in het zonnelicht, dan blinken ze sterk; dit is vooral
met marmer het geval.