Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 271 —
door hel rivierwater van de oevers of de hedding der ri-
vier medegesleept, en zoo lang medegevoerd geworden als
de snelheid van het water nog maar groot genoeg hleef,
om ze zwevende le houden. En deze opmerking geeft ons
de verklaring, waarom wij de klei in waterpasse lagen aan-
treffen. Als wij in een glas water vaste deelen vermengen,
en dat water tot rust laten komen, vormt er zich op den ho-
dem van het glas uit die bezinkende stoffen eene laag, die
van onderen zich aan den bodem van het glas aansluit, maar
die van boven geheel waterpas wordt. Zoo heeft zich ook
onze kleigrond waarschijnlijk gevormd door bezinking in
stilstaand water. En dat zich op die wijze groote uitge-
strektheden gronds vormen, kan ons niet verwonderen, als
wij bedenken, dat het rivierwater, gedurig aan, zwevende
stoffen medebrengt, en dat daardoor dus een onophoude-
lijke toevoer plaats heeft. Het zijn die zwevende stoffen,
welke hel rivier- en zeewater altijd troebel maken, en des
te troebeler, naar mate de snelheid van den stroom grooler
is. Wij zien dus, dat de veranderingen van land en water
bestaan in onophoudelijke verplaatsingen van grond, die of
door stroomende rivieren, öf door zeestroomen op de eene
plaats opgenomen, en op eene andere weder nedergelegd
wordt. Van welken aard de lagen zijn zullen, hangt dus
van den aard der stoffen af, die door het water medege-
voerd worden; is daar zand in drijvende, dan kunnen er
niet anders dan zandbanken of zandplaten ontstaan; zijn
het kleideelen, dan ontstaat er kleigrond.
Behalve het water is ook de wind eene oorzaak van ver-
plaatsing, en dus van het ontstaan van nieuwe gronden,
l'oen wij over de duinen spraken, hebben wij dit reeds
aangewezen.
VI.
Steenen. Steenkolen. Zout.
Wanneer men in andere landen den grond onderzoekt,
levert die grond, in sommige streken, dezelfde bestand-
deelen op als in Nederland; maar in vele andere oorden
vindt men ook geheel verschillende bestanddeelen; de bo-
venste laag is daar ook meestal meer of min vruchtbare